ECLI:NL:PHR:2026:619
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek wegens onvoldoende onderbouwing en vermindert straf
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van heroïne en voorbereidingshandelingen volgens de Opiumwet. In hoger beroep was de verdachte niet aanwezig, waarop zijn raadsvrouw een verzoek tot aanhouding van de behandeling indiende vanwege een afspraak over de verdeling van de erfenis van zijn overleden opa.
Het hof wees dit verzoek af omdat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en de omstandigheid van verhindering niet aannemelijk was gemaakt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de omstandigheid van een geplande afspraak over de erfenis geen onverwachte situatie is die rechtvaardigt dat de verdachte of zijn raadsman nader bewijs mochten overleggen.
De Hoge Raad benadrukt het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken, waarbij in het algemeen een concrete onderbouwing vereist is, tenzij sprake is van een onverwachte omstandigheid zoals ziekte. Omdat hier geen onverwachte omstandigheid was, mocht het hof het verzoek afwijzen zonder nadere onderbouwing te vragen.
Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van berechting, wat leidt tot ambtshalve vermindering van de straf. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak bevestigt de noodzaak van voldoende onderbouwing bij aanhoudingsverzoeken en verduidelijkt de toepassing van het beoordelingskader bij onverwachte omstandigheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.