ECLI:NL:PHR:2026:62

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/03052
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf en TBS met voorwaarden wegens geweldsdelicten en vermogensmisdrijven

In deze zaak, behandeld door de Hoge Raad op 13 januari 2026, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en twee weken hechtenis wegens meerdere geweldsdelicten en vermogensmisdrijven, waaronder een verkeersdelict. De zaak betreft een incident waarbij de verdachte een medewerker van de supermarkt Spar heeft bedreigd met zware mishandeling en deze ook daadwerkelijk heeft mishandeld. De verdachte, geboren in 2001, heeft zich schuldig gemaakt aan negen bewezen feiten, waaronder diefstal, bedreiging en mishandeling. Het hof heeft de verdachte ter beschikking gesteld met voorwaarden, waaronder opname in een forensisch psychiatrische kliniek. De verdediging heeft cassatie ingesteld, waarbij werd geklaagd over de kwalificatie van de bedreiging. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is, gezien de context van de bedreiging en het gedrag van de verdachte in de supermarkt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03052

Zitting13 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 26 juli 2024 met parketnummer 20-002403-22 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 oktober 2022 [1] bevestigd “
met uitzondering van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde met parketnummer 02-180674-21 en met aanvulling van de gronden ten aanzien van de bewijsmiddelen voor de overige feiten, en met uitzondering van de opgelegde sanctie.” Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, tot tweemaal één week hechtenis en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen een twaalftal voorwaarden gesteld betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde, waaronder het zich laten opnemen in een forensisch psychiatrische kliniek of soortgelijke instelling en zich laten behandelen. [2] Het hof heeft bevolen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het hof uitdrukkelijk de beslissingen van de rechtbank bevestigd ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging gelast van achtereenvolgens (i) de voorwaardelijke straf van één week jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 18 mei 2021 in de zaak onder parketnummer 02/059531-21, en daarbij bepaald dat deze zal worden vervangen door gevangenisstraf voor de duur van één week; (ii) de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie weken opgelegd bij vonnis van 11 februari 2020, en (iii) de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van één week, opgelegd bij vonnis van 16 januari 2020 en daarbij bepaald dat deze zal worden vervangen door één week gevangenisstraf.
2. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en de verschillende parketnummers vat ik eerst de bewezen verklaarde feiten samen, en geef ik weer en hoe de feiten zijn gekwalificeerd. [3] Ten laste van de verdachte zijn in totaal negen feiten bewezen verklaard.
3. Ik begin met het feit in de zaak met parketnummer 02-294774-20, te weten het niet bekend maken van de bestuurder van een auto waarvan het kenteken op zijn naam staat, terwijl met die auto op 10 september 2020 in [plaats] een ongeval heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van dit feit heeft het hof de verdachte veroordeeld tot één week hechtenis. Het feit is gekwalificeerd als “
overtreding van artikel 165, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”.
4. Het hof heeft ook afzonderlijk straf opgelegd wegens het als feit 7 in de zaak met parketnummer 02-147286-21 bewezen verklaarde op 3 juli 2021 in [plaats] op de openbare weg dragen van een vleesmes. Ten aanzien van dit feit heeft het hof de verdachte eveneens veroordeeld tot één week hechtenis. Het feit is gekwalificeerd als “
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.
5. Dan kom ik toe aan de zeven feiten ten aanzien waarvan de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest.
Het gaat ten eerste om het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 02-180674-21 bewezen verklaarde op 8 juli 2021 in [plaats] medeplegen van de diefstal van een scooter voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld, dat is gekwalificeerd als “
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”.
Ten tweede gaat het om een viertal feiten die verband houden met een incident in de [A] supermarkt in [plaats] op 5 juni 2021 die bestaat uit het mishandelen en bedreigen van een medewerker van de [A] , de diefstal van broodjes en de bedreiging van een politieagente nadat de verdachte was aangehouden. Het gaat meer concreet om het op 5 juni 2021 in [plaats] bedreigen van een medewerker van de [A] met zware mishandeling door tegen hem te zeggen dat hij hem na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken (feit 2) dat is gekwalificeerd als “
bedreiging met zware mishandeling”, en het aansluitend in de [A] mishandelen van die medewerker (feit 1) dat is gekwalificeerd als “
mishandeling”; de diefstal van broodjes uit die [A] (feit 4) dat is gekwalificeerd als “
diefstal” en het bedreigen van een politieagent met enig misdrijf tegen het leven gericht, tijdens het vervoer van de verdachte nadat hij met behulp van een politiehond was gevonden (feit 3) dat is gekwalificeerd als “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”. Ten derde gaat het om de resterende feiten die in de zaak met parketnummer 02-147286-21 bewezen zijn verklaard waarvan er twee zijn begaan in [plaats] op 3 juli 2021, toen de verdachte het hierboven genoemde vleesmes voorhanden heeft gehad. Het gaat om belediging van twee politieagenten (feit 6) dat is gekwalificeerd als “
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd” en de mishandeling van een van deze twee politieagenten (feit 5) dat is gekwalificeerd als “
mishandeling van een politieagente”.
Ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in [plaats] was de verdachte negentien jaar.
6. Ten aanzien van het onder 2 in de zaak met parketnummer 02-147286-21 bewezen verklaarde feit dat is gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld zoals dat hierboven onder 1 is omschreven.
7. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel heeft betrekking op de bewijsvoering van het feit ten aanzien waarvan het hof de terbeschikkingstelling onder voorwaarden heeft gelast.

Het middel

8. Het middel klaagt over de bewijsvoering van het onder 2 in de zaak met parketnummer parketnummer 02-147286-21 bewezen verklaarde feit, dat is gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling. Aangevoerd wordt dat het hof de bewezen verklaarde uitlating, te weten dat de verdachte de aangever “
na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken”, ten onrechte heeft gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling. Een “
dergelijke bedreiging levert hooguit een in het Wetboek van Strafrecht niet strafbaar gestelde bedreiging met mishandeling op.
9. Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 02-147286-21 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde dat:

1. hij op of omstreeks 5 juni 202 1 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] meermalen althans eenmaal, met kracht
- tegen de benen te schoppen en/of trappen en/of
- tegen het lichaam te duwen en/of
- tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of stompen;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2. hij of omstreeks 5 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken, en/of dat hij, verdachte, de moeder van voornoemde [slachtoffer] zou neuken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
(…).
4. hij op of omstreeks 5 juni 2021 te [plaats] een of meer broodje(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [A] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n,) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
10. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte:

1. op 5 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer]
- tegen de benen te schoppen en
- tegen het lichaam te duwen en
- tegen het hoofd te slaan;
2. op 5 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken;
(…)
4. op 5 juni 2021 te [plaats] broodjes, die aan [A] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk omdeze
zich wederrechtelijk toe te eigenen”.
11. De bewezenverklaring berust op de volgende door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen:
“Feiten 1, 2 en 4
10.3
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 5 juni 2021, pagina 4 tot en met 6 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 5 juni 2021, omstreeks 19.02 uur, zag ik dat een persoon binnen kwam lopen die, voor mij bekend was als iemand met een winkelverbod. Dit was geen officieel winkelverbod, maar onder de collega's is dit zo bekend. Ik wees deze persoon erop dat hij niet welkom was en dat hij de winkel moest verlaten. Vanaf dat moment begon de persoon met dreigen. Ik hoorde dat hij mij na sluitingstijd wel zou opwachten en mij dan zou pakken. Toen zag ik dat hij de mandjes omver duwde, deze staan bij de ingang. Toen zag ik dat hij de winkel uitging, maar ook dat hij al snel daarna weer de winkel terug in kwam. Toen voelde ik dat hij mij een schop gaf tegen mijn rechterbeen. Ik voelde dat hij mij toen een duw gaf, ik duwde terug en hierop sloeg hij mij. Ik zag dat hij met zijn rechter arm sloeg en ik voelde dat er een onderarm tegen mijn hoofd kwam. Ik voelde pijn bij mijn linkerslaap. Toen zag ik dat een klant hem de winkel uit werkte, maar even later kwam hij weer terug. Toen zag ik dat hij richting de broodafdeling liep en dat hij twee broodjes pakte. Ik zag dat hij de winkel uit liep zonder te betalen.
10.4
Het proces-verbaal van verhoor [getuige] , d.d. 5 juni 2021, pagina 12 en 13 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vanavond, 05-06-2021 was ik aan het werk als cassier bij de [A] supermarkt aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat mijn collega (de Teamleider) naar die jongen toe liep en hem verzocht om de winkel te verlaten. Die jongen begon direct moeilijk te doen en wilde niet naar buiten toe. Ik zag dat die jongen de stapels met mandjes welke bij de ingang staan om begon te schoppen. Ik zag dat die jongen naar mijn collega toe liep en heel erg dichtbij hem kwam staan en iets tegen mijn collega zei. Ik kon niet verstaan wat er gezegd werd. Ik zag alleen dat toen die jongen iets tegen mijn teamleider zei, dat hij hierbij zijn vuisten balde. Mijn teamleider kreeg toen ineens een duw van die jongen waarom mijn teamleider zich om zich af te weren om draaide. Op het moment dat mijn teamleider van die jongen afgedraaid had, zag ik dat die jongen met zijn rechter vuist tegen de rechterkant van het gezicht van mijn teamleider aan sloeg. Die jongen liep direct hier na naar buiten. Na 5 a 10 minuten zag ik dat die jongen weer terug was gekomen. Ik zag dat die jongen naar de vers verpakte broodjes toe liep. Ondertussen stond de teamleider weer bij die jongen en verzocht hem wederom om de winkel te verlaten. Ik zag dat die jongen twee broodjes pakte en de winkel uit rende.
10.5
Het proces-verbaal van bevindingen [verbalisant] , omschrijving camerabeelden en stills van camerabeelden pagina 21 tot en met 30 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, zie een andere manspersoon de winkel binnen gaan, even daarvoor is er lichamelijk contact tussen de later bekende aangever van winkeldiefstal te weten [slachtoffer] . Ik, verbalisant, zie dat de [verdachte] met zijn linker been tegen het rechterbeen van aangever, [slachtoffer] , aan trapt. Hierna zie ik, verbalisant, dat de verdachte de stapel met winkelmandje omduwt, waardoor de stapel over de trap naar beneden valt. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte vervolgens de trap af loopt en voorbij de uitgang blijft staan. De aangever loopt vervolgens terug de winkel in, waarbij de verdachte met zijn rechterbeen een schoppende beweging maakt tegen het linkerbeen van de aangever. De aangever zet vervolgens alle mandjes terug, waarbij de verdachte met zijn rechter hand balt tot een vuist en een slaande beweging maakt richting de rechterbovenarm. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte dit nogmaals herhaalt. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte wederom de winkel in komt gelopen, echter heeft de verdachte op dat moment geen jas meer aan. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte naar hetzelfde schap loopt, naast de koffiecorner. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte met zijn rechterhand iets uit het schap pakt naast de koffiecorner. Ik, verbalisant, zie dat de verdachte daarna met versnelde pas richting de uitgang van de winkel zich begeeft.”
12. Het hof heeft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aangevuld met “
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 12 juli 2024.
13. De door de verdachte ter terechtzitting van het hof van 12 juli 2024 afgelegde bekennende verklaring houdt het volgende in:

Het klopt dat ik op 5 juni 2021 broodjes bij de [A] in [plaats] heb gestolen en dat ik aangever [slachtoffer] heb mishandeld en heb bedreigd met zware mishandeling op dezelfde dag. Ook heb ik op 5 juni 2021 [aangever] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.
14. De bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 bewezen verklaarde feit houdt het volgende in:

Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 juni 2021 te [plaats] , [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door tegen hem te zeggen dat hij [slachtoffer] na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken.
Om tot een bewezenverklaring van bedreiging te komen is het niet noodzakelijk dat de bedreigingen, letterlijk, door een getuige zijn gehoord en worden bevestigd. In de feiten en omstandigheden die [getuige] wel heeft gezien en gehoord, vindt de rechtbank voldoende ondersteuning van de aangifte, om te komen tot een bewezenverklaring van het feit. De andere uitlatingen die door verdachte zouden zijn gedaan, leveren geen bedreiging van [slachtoffer] op. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

De bespreking van het middel

15. In mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2023:8 waarop de steller van het middel zich beroept en waaruit hij uitvoerig citeert, heb ik onder 17 betoogd dat de beoordeling van de vraag of de vrees in redelijkheid kon ontstaan, kan afhangen van verschillende omstandigheden. Het oordeel daarover is (daardoor) noodzakelijkerwijs verweven met waarderingen van feitelijke aard. Dit oordeel kan daarom in cassatie slechts marginaal worden getoetst. Ook heb ik daar betoogd dat de aard van de uitlating (en met name haar bewoordingen) bij die beoordeling een rol speelt, maar dat daarnaast de omstandigheden van het geval (de context) mede bepalend zijn voor de betekenis van de gewraakte uitlating. [4]
16. De steller van het middel gaat voorbij aan de context waarin de bewezen verklaarde bewoordingen zijn geuit. De context houdt in dat de uitlating is gedaan in de [A] waar de aangever werkte, nadat de aangever de verdachte erop had aangesproken dat hij niet in de winkel mocht verblijven wegens een (informeel) winkelverbod, waarna de verdachte de aangever heeft mishandeld door hem tegen de benen te schoppen, tegen het lichaam te duwen en tegen het hoofd te slaan. Bij de context betrek ik ook het door de verdachte omver gooien van mandjes in de [A] en de diefstal door de verdachte van broodjes uit de [A] . De omstandigheden waaronder de bedreiging werd gedaan waren in alle opzichten uiterst agressief naar de aangever toe. Hieraan kan worden toegevoegd dat het bij het bewezen verklaarde feit gaat “
om de vraag of de betrokkene als gevolg van de uitlatingen en/of de gedragingen van de verdachte in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de betrokkene zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. [5] In het licht van de mishandeling en het gedrag van de verdachte in de [A] waarmee de geuite bedreiging gepaard ging, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte de aangever heeft bedreigd met zware mishandeling niet onbegrijpelijk. [6]
17. Het middel faalt.

Slotsom

18. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met parketnummers 02/180674-21, 02/147286-21, 02/2944774-20, 05/184985-19 (tul), 02/267128-19 (tul) en 02/059531-21 (tul).
2.Het herstelarrest van 1 augustus 2024 heeft betrekking op de tweede bijzondere voorwaarde waarin per abuis was opgenomen dat de verdachte “
3.De tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen zijn niet aan de orde.
4.Vgl. HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:262, r.o. 2.3: “
5.HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:262, r.o. 2.4.1.
6.Vgl. HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802.