ECLI:NL:HR:2005:AT1802
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bedreiging met misdrijf tegen het leven en redelijke vrees slachtoffer
Op 28 oktober 1999 bedreigde de verdachte twee beveiligingsbeambten in een warenhuis in 's-Gravenhage met woorden die inhielden dat hij hen zou verwonden of doden als zij hem zouden aanspreken of in burger zouden tegenkomen. Het hof oordeelde dat deze bedreigingen van dien aard waren dat bij het slachtoffer een redelijke vrees kon ontstaan dat hij zijn leven zou kunnen verliezen.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring van de bedreiging niet kon worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. De Hoge Raad overwoog dat voor een veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreiging zodanig is dat bij het slachtoffer een redelijke vrees voor het eigen leven kan ontstaan.
Het hof had geoordeeld dat de bedreiging jegens de tweede beveiligingsbeambte onder die omstandigheden viel, mede gelet op de eerdere bedreiging jegens diens collega waarvan de tweede op de hoogte was. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of onjuist. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte tot vijf weken gevangenisstraf voor meerdere bedreigingen, handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.