ECLI:NL:PHR:2026:624

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
25/04301
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 lid 1 SvArt. 98 lid 1 SvArt. 98 lid 2 SvArt. 98 lid 4 SvArt. 218 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot aanhouding behandeling klaagschrift over verschoningsrecht bij beslag onder cliënt

De zaak betreft een klacht van een Duitse advocaat (de klager) tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die zijn klaagschrift ex art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift richtte zich tegen een beslissing van de rechter-commissaris over het verschoningsrecht met betrekking tot stukken die onder zijn cliënt in beslag waren genomen na een Europees Onderzoeksbevel (EOB).

De klager stelde dat hij niet in staat was gesteld zich volledig uit te laten over het verschoningsrecht omdat hij de in beslag genomen stukken niet had kunnen inzien. De rechtbank wees het verzoek om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift af en oordeelde dat de klager voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt kenbaar te maken, mede op basis van informatie van zijn cliënt en de beslaglijst.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het verschoningsrecht inhoudt dat de verschoningsgerechtigde zich moet kunnen uitlaten over zijn recht, maar dat dit niet per se betekent dat hij alle stukken moet kunnen inzien. De wijze van informeren is niet strikt voorgeschreven en kan per geval verschillen. In deze zaak was de klager tijdig geïnformeerd en heeft hij zijn standpunt onderbouwd. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04301 Bv
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[de klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 (RK 24-015665) het klaagschrift ex art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv tegen de beslissing van de rechter-commissaris op grond van art. 98 lid 2 Sv Pro over de toepasselijkheid van het verschoningsrecht van de klager (een Duitse advocaat) met betrekking tot stukken die onder een cliënt van de klager in beslag zijn genomen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger hebben een middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de stukken opnieuw in handen van de rechter-commissaris te stellen.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 26/00061 en 26/00065. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Vijf andere samenhangende zaken (25/04319, 25/04320, 26/00059, 26/00062 en 26/00064) zijn door de Hoge Raad reeds bij arresten van 2 juni 2026 afgedaan. In die zaken zijn geen middelen ingediend, zodat het cassatieberoep door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard.
1.4
Als ik het hierna heb over ‘de klagers’, bedoel ik daarmee steeds de klager in de onderhavige zaak en zaak 26/00061, en de klager in de samenhangende zaak 26/00065 ([betrokkene 1], zijnde de cliënt van de klager onder wie de voorwerpen feitelijk in beslag zijn genomen).

2.De voorafgaande procesgang

2.1
Op 16 februari 2023 heeft het functioneel parket te Rotterdam naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Duitse officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Limburg de (bedrijfs-)woning van [betrokkene 1], de cliënt van de klager, zal doorzoeken ter inbeslagneming.
2.2
Deze doorzoeking heeft op 28 februari 2023 op het adres van [betrokkene 1] plaatsgevonden. Hierbij is beslag gelegd op diverse voorwerpen, waaronder verschillende ordners, handgeschreven notities en USB-sticks.
2.3
Op 8 maart 2023 is namens de klager op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming onder [betrokkene 1] van een USB-stick, een Leitz-ordner en enkele geschriften met beslagnummers A.01.03.001, A.01.04.001, A.01.04.002, A.01.004.003 (in de stukken ook wel geduid met A.01.04.003), A.01.05.002 en A.01.05.003, op de grond dat deze stukken onder het verschoningsrecht van de klager zouden vallen. Namens [betrokkene 1] is tegen de inbeslagneming van dezelfde voorwerpen op 7 maart 2023 eveneens een klaagschrift op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv ingediend.
2.4
Op 14 maart 2023 is de behandeling van de beide klaagschriften door de rechtbank aangehouden in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris op het in het beklag vervatte bezwaar van de klager op grond van art. 98 lid 2 Sv Pro.
2.5
Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris naar aanleiding van dit bezwaar beslist dat de Leitz-ordner, het stuk A.01.03.001 en de USB-stick(s) vallen onder het verschoningsrecht van de klager en de inbeslagneming in zoverre niet is toegestaan. De overige inbeslaggenomen stukken, waaronder de stukken met beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003, vielen volgens de rechter-commissaris niet onder het verschoningsrecht van de klager. In zoverre is de inbeslagneming wel toegestaan door de rechter-commissaris.
2.6
Bij beschikking van 11 juli 2023 heeft de raadkamer van de rechtbank Limburg de beide op 7 en 8 maart 2023 ingediende klaagschriften ex art. 552a Sv ongegrond verklaard omdat tegen de beschikking van de rechter-commissaris door de klager geen klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro was ingediend. Tegen deze beschikking hebben de beide klagers cassatie ingesteld.
2.7
Op 9 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het beroep in cassatie in beide zaken. De Hoge Raad heeft de beschikkingen van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023 daarbij vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Limburg op de grond – kort gezegd – dat de rechtbank er in haar beschikking van 11 juli 2023 van uit is gegaan dat de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 onherroepelijk was geworden nu daartegen door de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift was ingediend, terwijl uit de stukken niet kon blijken dat de beschikking aan de verschoningsgerechtigde (zijnde de onderhavige klager) was betekend. [1]
2.8
Op 28 mei 2024 is de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 alsnog aan de klager betekend. Daartegen is namens de klager op 5 juni 2024 een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend. Op dezelfde datum is ook namens [betrokkene 1] een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend.
2.9
In totaal zijn door de klagers naar aanleiding van de beslaglegging op verschillende momenten in de procedures (vóór en na de terugwijzing door de Hoge Raad), acht klaagschriften ingediend.
2.1
Op 15 juli 2025 zijn alle door de klagers ingediende klaagschriften gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld door de rechtbank. Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak gedaan op alle klaagschriften.
2.11
De beschikking die thans voorligt, betreft de beschikking van de rechtbank op het op 5 juni 2024 ingediende klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro. Dit klaagschrift richt zich tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 en strekt ertoe dat alsnog wordt beslist dat de inbeslaggenomen voorwerpen A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 vallen onder het verschoningsrecht van de klager.

3.De feitelijke aanleg

3.1
De beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 houdt het volgende in:
“Op 7 maart 2023 heeft mr. T. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, namens [de klager], Rechtsanwalt in Dortmund (Duitsland), een persoon met de bevoegdheid tot verschoning, bezwaar bij de rechter-commissaris gemaakt tegen de ter uitvoering van het EOB-1-2023002061, op 28 februari 2023 onder de verdachte in beslag genomen geheimhoudersstukken.
De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de processtukken.
De verschoningsgerechtigde heeft aangevoerd dat zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt tot de volgende hierna aangeduide en onder de verdachte in beslag genomen administratie (Verteidigerkorrespondenz als bedoeld in §§ 97 en 148 Strafprozessordnung):
- […]
- […]
- handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken’.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geheimhoudersstukken terug kunnen naar de verdachte maar dat het aan de rechter-commissaris is daarover te beslissen.
Beoordeling
1. Op 7 maart 2023 heeft mr. Kneepkens op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend omdat, kort gezegd, tussen de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen stukken zitten die onder het verschoningsrecht van zijn cliënt vallen. Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen geheimhoudersstukken.
2. Op grond van artikel 98 Wetboek Pro van Strafvordering is het echter eerst aan de rechter- commissaris te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. De rechtbank zal de behandeling van het klaagschrift dienen aan te houden en de zaak in handen van de rechter commissaris dienen te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoel in artikel 98 Sv Pro.
3. Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit laatste het geval is komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen. (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR 2013:CA0434). Indien de rechter-commissaris — bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens — niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
De rechter-commissaris oordeelt als volgt.
4. […]
5. Bij de handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken’ gaat het om de stukken die in de lijst van in beslag genomen goederen zijn aangeduid met de respectieve nummers (IBN-code) A.01.03.001 en/of A.01.04.001 en/of A 01.004.003 en/of A.01.05.002 en/of A.01.05.003. Die aantekeningen zijn op 22 maart 2023 in twee verzegelde enveloppen, die zich op hun beurt bevonden in één verzegelde plastic envelop, op het kabinet van de rechter-commissaris ontvangen.
6. De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van de handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken’ teneinde te kunnen beoordelen of deze aantekeningen onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
6.2.
Het stuk A.01.04.001 bevat een blok ruitjespapier (A-4 formaat) waarvan de eerste acht pagina’s handgeschreven aantekeningen bevatten. Uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Wat de rechter-commissaris betreft kan er dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat deze aantekeningen niet onder het verschoningsrecht vallen. Voor de twee losse vellen (A-4 formaat) die zijn genummerd A01.04.003 geldt hetzelfde.
6.3.
Het stuk A.01.05.002 bevat verzameld in een plastic A-4 map diverse aantekeningen, zowel handgeschreven als in gedrukte vorm. De eerste pagina is een notitie, gedagtekend 17 april 2016, 18:20 uur van de hand van de verdachte. Uit de aanhef blijkt voor wie de notitie is bestemd, dat is niet de Duitse Rechtsanwalt of een medewerker van diens kantoor. Hoewel de eerste pagina als ‘restricted’ is geoormerkt, blijkt uit de notitie noch uit de overige stukken dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Ook hier geldt daarom dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen.
6.4.
Het stuk A.01.05.003 bevat een klein schrift met handgeschreven aantekeningen (zonder omslag), een geelkleurige plastic A-4 map en een rood schrift met harde omslag (A-4 formaat).
6.4.1.
Wat het handgeschreven kleine schrift betreft: uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
6.4.2.
De geelkleurige plastic map bevat allereerst kennelijk twee van het internet gehaalde en voor eigen gebruik uitgeprinte artikelen met de titel ‘Cum-Ex-Trick kostet Steuerzahler zwölf Milliarden’ en ‘Neues Schlupfloch, Wie Banken das Finanzamt erneut austricksen’. Van beide documenten (kennelijk dus afkomstig uit openbare bron) is duidelijk dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Verder bevindt zich in de map een uitgeprint, op 25 september 2019 om 10:04 uur aan de verdachte doorgestuurd mailbericht. Gelet daarop en op de mailadressen die in de mail zijn vermeld, gaat het hier niet om geheimhoudersinfo. In de gele map, in twee afzonderlijke doorzichtige plastic mappen, zitten verder nog een door het ‘inland revenue department’ van de republiek Malta op 15 oktober 2012 afgegeven certificaat en twee notities. Het certificaat is evident geen geheimhoudersstuk. De notities zijn dat evenmin. De eerste notitie is gedagtekend 13 april 2018, tijdstip 12:26 uur en is niet afkomstig van of gericht aan de Duitse Rechtsanwalt. De verdachte is niet de geadresseerde van de notitie; aan hem is slechts een kopie ervan verstrekt. De tweede notitie is gedagtekend 14 februari 2018, tijdstip 11:06 uur. De notitie is kennelijk van de hand van de verdachte zelf en is door hem als ‘restricted’ geoormerkt. Aan de notitie is een handgeschreven weergave van een schriftelijk telefoongesprek gehecht, dat kennelijk tussen de verdachte en [betrokkene 2] op 13 april 2018 heeft plaatsgevonden alsook een agenda van het bezoek dat die [betrokkene 2] van 23 tot en met 27 april (naar de rechter commissaris aanneemt van het jaar 2108 [
AG: bedoeld zal zijn: 2018]). [betrokkene 2], zo maakt de rechter-commissaris uit de stukken op, is de toenmalig managing director van ‘Middel East Financial Services DMCC’ en dus niet iemand die op grond van zijn beroep een verschoningsrecht toekomt. Gelet hierop en nu verder uit niets blijkt dat het bij deze notities gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken, kan daarom redelijkerwijs geen twijfel erover bestaan dat deze notities niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
6.4.3.
Het rood schrift met harde omslag (A-4 formaat) bevat handgeschreven aantekeningen en - los ingevoegd - een document ‘Central Securities Depositories Regulation' van juni 2020 van de hand van [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5], allen werkzaam voor HSBC. Het gaat hier niet om geheimhouders en dus valt het stuk niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt en datzelfde, om de eerder gebezigde redenen, geldt voor de handgeschreven aantekeningen. Niet evident is immers dat het hier gaat om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
7. […]
Beslissing
De rechter-commissaris:
- bepaalt dat inbeslagneming van de ’Leitz’-ordner (als bedoeld in overweging 4), het stuk A.01.03.001 (als bedoeld in overweging 6.1) en de USB-stick(s) (als bedoeld in overweging 7) niet en voor het overige wel is toegestaan;”
3.2
In het klaagschrift van de klager ex art. 98 lid 4 Sv Pro van 5 juni 2024 tegen deze beslissing van de rechter-commissaris is het standpunt ingenomen dat de rechter-commissaris bij de beoordeling van de geheimhoudersstukken een te strikte definitie heeft gehanteerd. Daarnaast is in het klaagschrift de bereidheid van de klager opgenomen om het klaagschrift nader toe te lichten en is verzocht om toezending van alle (proces-)stukken.
3.3
Het desbetreffende klaagschrift is zoals vermeld – samen met de andere klaagschriften – ruim een jaar later door de rechtbank in raadkamer behandeld, en wel op 15 juli 2025. Kort daaraan voorafgaand, namelijk bij e-mailbericht van 9 juli 2025, heeft de advocaat van de klager(s) verzocht om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer en om de stukken (opnieuw) in handen van de rechter-commissaris te stellen. Dit verzoek is niet op voorhand toegewezen door de rechtbank.
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 15 juli 2025 heeft de raadsman van de klager het verzoek aldaar in zijn pleitnota in gelijke bewoordingen herhaald. Het verzoek in de pleitnota hield het volgende in:
“Voordat de huidige zaken zijn teruggewezen door de Hoge Raad heeft er al een raadkamerzitting plaatsgevonden waarbij namens cliënten een standpunt is ingenomen. U heeft daarbij kunnen lezen dat de verdediging meent dat het door de rechter-commissaris gehanteerde criterium in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2686) te beperkt is, nu uit deze uitspraak volgt dat ook stukken waarvan aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd onder het verschoningsrecht (kunnen) vallen. Uit de beschikking blijkt niet dat de rechter-commissaris dit gegeven bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
[betrokkene 1] heeft kenbaar gemaakt dat in ieder geval de stukken die de beslagnummers A.01.04.001, A.01.05.002 en A.01.05.003 hebben gekregen - en handgeschreven notities - als zodanig kunnen en moeten worden aangemerkt en de verschoningsgerechtigde dr. [de klager] heeft zich, gelet op de mededelingen van zijn cliënt, ook op dat standpunt gesteld.
Naar het de verdediging voorkomt had het op de weg van de rechter-commissaris gelegen om de verschoningsgerechtigde in deze procedure uit te nodigen op het kabinet teneinde kennis te nemen van de in beslag genomen stukken en zich daarbij (gemotiveerd) uit te laten over de vraag of die stukken - inderdaad - onder het verschoningsrecht vallen. Het zal per aantekening en/of aanwezig stuk in de genoemde mappen/blokken, ruitjespapier/schriften dan wel handgeschreven notitie etc. afhankelijk zijn of dit (inderdaad) het geval is. Aan de hand van het standpunt van de verschoningsgerechtigde kan per stuk nagegaan worden of dit standpunt, al dan niet gesubstantieerd met nadere uitleg, dient te worden gerespecteerd of dat er redenen zijn om van dit standpunt af te wijken.
Aangezien uit de beschikking ex art. 98 Sv Pro volgt dat de rechter-commissaris de geschriften tot op heden niet als zodanig heeft beoordeeld en de verschoningsgerechtigde bovendien geen gelegenheid heeft gehad kennis te nemen van deze stukken meen ik dat de behandeling dient te worden aangehouden, waarbij de stukken weer in handen van de rechtercommissaris worden gesteld teneinde de verschoningsgerechtigde in staat te stellen om een nader standpunt in te nemen over de onder de bovengenoemde beslagnummers gerubriceerde stukken. Aangezien de zaken verknocht zijn ziet dit verzoek op alle aanhangige zaken. Hierover heb ik eerder contact opgenomen met de zaaksofficier van justitie (Cc) en zij maakte vanochtend kenbaar dat zij dit standpunt begrijpt en dat het Openbaar Ministerie zich daar ter zitting niet tegen zal verzetten.”
3.5
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt verder in:
“[betrokkene 1] verklaart het volgende:
Ik werd in de huiskamer neergezet waarna het kantoor werd doorzocht. Twee jaar daarvoor heb ik gesprekken gehad met [de klager], daarvan lagen er aantekeningen in het kantoor. Soms heb ik die aantekeningen in een schrift gemaakt, soms op papier. Ik moet de stukken zien om te weten wat het precies is. Veel daarvan is enkel en alleen bedoeld om met [de klager] te bespreken. Ik heb geen inzicht gekregen in wat er is meegenomen, dat wil ik wel weten en bespreken met [de klager].
De beschrijving van de stukken door de rechter-commissaris geeft hier geen inzicht in. De beschrijving is erg algemeen, er zijn honderden notities meegenomen. Toen de verdenking bekend werd heb ik notities gemaakt, bedoeld voor de toekomstige verdediging. Ik weet nu niet meer om welke notities dat gaat.
Indien de zaak niet wordt aangehouden stelt de raadsman zich op het standpunt dat de handgeschreven notities onder het verschoningsrecht vallen, wat eveneens het standpunt van [de klager] is.
[…]
Desgevraagd geeft de raadsman aan dat ook voor deze behandeling in raadkamer al met de rechter-commissaris is besproken om [de klager] naar de inbeslaggenomen stukken te laten kijken, om zo een standpunt of de stukken onder het verschoningsrecht vallen in te kunnen nemen. De procedure die gevolgd moet worden is, aldus de raadsman, dat er (al dan niet via de deken) kennis genomen moet worden van de (inhoud van de) stukken.”
3.6
Bij beschikking van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding afgewezen en geoordeeld over het beroep op het verschoningsrecht van de klager. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daarmee de beslissing van de rechter-commissaris dat de klager geen verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de stukken met beslagcodes A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 in stand gelaten.
3.7
In cassatie wordt alleen geklaagd over de beslissing op het verzoek om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift. Omdat die beslissing verband houdt met de beslissing op het beroep op het verschoningsrecht, zijn in de navolgende weergave van de beschikking van de rechtbank ook de overwegingen van de rechtbank ter zake opgenomen (met weglating van de voetnoot):

Beklag
Het 98 Sv-klaagschrift richt zich tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 en strekt ertoe dat alsnog wordt beslist dat de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 vallen onder het verschoningsrecht van de klager.
Namens de klager is aangevoerd dat de rechter-commissaris bij zijn beoordeling of het ging om verschoningsgerechtigde stukken een onjuist dan wel onvolledig toetsingscriterium heeft toegepast. Daartoe heeft de raadsman van klager verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2686), waarin deze - kort gezegd - overweegt dat ook geschriften waarvan de inhoud nog niet aan raadsman is meegedeeld, in uitzonderingsgevallen object kunnen uitmaken van het verschoningsrecht van advocaat. In raadkamer heeft de verdediging haar klaagschrift aangevuld met het primaire verzoek om de behandeling van de klaagschriften aan te houden en de klager in de gelegenheid te stellen de inhoud van voornoemde stukken te onderzoeken om zo vast te kunnen stellen of deze onder zijn verschoningsrecht vallen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
In raadkamer heeft de officier van justitie zich aangesloten bij het verzoek van de verdediging om de behandeling aan te houden en zo de klager in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of de stukken geheel of gedeeltelijk onder zijn verschoningsrecht vallen.
Beoordeling
[…]
Ten aanzien van het verzoek om de zaak aan te houden overweegt de rechtbank als volgt.
De klager heeft zich in zijn e-mailbericht van 7 maart 2023 (dat als eerste bijlage is gevoegd bij het 552a Sv-klaagschrift van de klager) uitgelaten over de eventuele aanwezigheid van geheimhouderstukken. In dit e-mailbericht vermeldt de klager dat een aantal inbeslaggenomen goederen onder het verschoningsrecht vallen; deze stukken zijn eveneens door de rechter-commissaris in zijn beschikking als verschoningsgerechtigde stukken aangemerkt en aan [betrokkene 1] geretourneerd. Over de andere stukken - de stukken waar in het onderhavige klaagschrift over wordt geklaagd - vermeldt de klager alleen maar dat, indien [betrokkene 1] zegt dat het geheimhoudersstukken zijn, dit het geval is. Uit dit e-mailbericht blijkt niet dat de klager zelf de stukken wilde inzien om zijn visie te geven, noch heeft de klager dit op enige andere manier kenbaar gemaakt. De verschoningsgerechtigde (de klager) is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inbeslagname van de stukken, hetgeen hij via het hiervoor genoemde e-mailbericht heeft gedaan. Daarmee is voldaan aan het vereiste van de Hoge Raad. Het standpunt van de klager dat de verschoningsgerechtigde nadrukkelijk moet worden uitgenodigd om de inbeslaggenomen stukken in te zien en zich over de inbeslagname uit te laten, vindt geen steun in het recht. In de praktijk gebeurt het wel dat bij zoekslagen door grote hoeveelheden data de klager uitgenodigd wordt door de rechter-commissaris zijn visie te geven op de toe te passen zoekslagen, maar in deze zaak is daarvan geen sprake. Het gaat in deze zaak om een paar specifieke stukken die bij [betrokkene 1] in beslag genomen zijn en waarover [betrokkene 1] de klager heeft kunnen inlichten, zeker nu de klager volledig afgaat op de en mededeling van [betrokkene 1] dat de stukken onder klagers verschoningsrecht vallen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het verzoek tot aanhouding toe te wijzen en wijst dit verzoek derhalve af.
Nu het verzoek om aanhouding is afgewezen, zal de rechtbank het onderhavige 98 Sv- klaagschrift inhoudelijk beoordelen.
Bij de beoordeling van de vraag of de inbeslaggenomen stukken, die bij [betrokkene 1] in beslag genomen zijn en waarvan voor de inbeslagname de inhoud nog niet aan de klager was medegedeeld, vallen onder het verschoningsrecht van de klager, dient het volgende toetsingskader van de Hoge Raad in acht te worden genomen:
"Ook geschriften waarvan de inhoud nog niet aan de raadsman is medegedeeld, kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaat. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. Ook in zo een geval is het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die geschriften object van zijn verschoningsrecht uitmaken, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is."
en
"Bij de beoordeling door de rechter of notities waarvan de inhoud nog niet aan de verschoningsgerechtigde ter kennis is gebracht, als geheimhouderstukken kunnen worden aangemerkt, is van belang of die notities, gezien de aard en de inhoud daarvan, kunnen worden aangemerkt als bevattende informatie die door een cliënt aan een advocaat in de uitoefening van zijn beroep pleegt te worden toevertrouwd en of aannemelijk is dat die informatie in het concrete geval daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat te worden meegedeeld."
Gelet op het hiervoor vermelde beoordelingskader, klaagt de verdediging terecht dat de rechter-commissaris in zijn beschikking een te beperkte uitleg aan de beoordeling van het verschoningsrecht heeft gegeven. De rechter-commissaris heeft bij zijn beoordeling immers geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de stukken voor een toekomstig gesprek tussen de klager en zijn cliënt [betrokkene 1] waren bestemd. Nu de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris vol toetst, zal zij zelf de beoordeling maken.
Teneinde met toepassing van het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader te kunnen beoordelen of het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt tot de stukken waarover thans wordt geklaagd, heeft de rechtbank de stukken opgevraagd bij de griffier van de rechter-commissaris, in raadkamer gelezen en beoordeeld. De beschrijving van die stukken die de rechter-commissaris in zijn beschikking heeft gegeven is correct.
Het betreft voornamelijk handgeschreven notities of artikelen waar aantekeningen bij zijn gemaakt. De inhoud van de stukken en de daarbij aangebrachte aantekeningen zijn kennelijk over een langere periode, soms jaren geleden gemaakt, voornamelijk in de Duitse taal. De stukken zijn niet gericht aan de klager, bevatten ook geen opmerkingen (al dan niet in de kantlijn) dat [betrokkene 1] deze stukken met de klager wilde bespreken en de klager komt niet in deze stukken voor. Ook de inhoud van de stukken geeft geen enkele aanwijzing dat deze aangemerkt dienen te worden als bevattende informatie die door een cliënt aan een advocaat in de uitoefening van zijn beroep pleegt te worden toevertrouwd. Ook zijn er geen feiten of omstandigheden aanwezig die tot de conclusie leiden dat het aannemelijk is dat die informatie in het concrete geval daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat te worden meegedeeld.
De rechtbank ziet in de stukken dus geen enkel aanknopingspunt dat deze stukken naar hun aard, vorm of inhoud informatie bevatten die bestemd was om door [betrokkene 1] aan de klager te worden toevertrouwd. Evenmin is aannemelijk geworden dat die informatie in het concrete geval daadwerkelijk bestemd was om door [betrokkene 1] aan de klager te worden meegedeeld. De enkele opmerking van de klager in zijn email aan mr. Kneepkens dat:
"Herr [betrokkene 1] sagte, dass er auch handschriftliche Aufzeichnungen zu Verteidigungszwecken gefertigt habe. Diese dürften im Sicherstellungsverzeichnis unter A.01.03.001 und oder A.01.04.001 und oder A.01.004.003 und oder A.01.03.002 und oder A.01.05.003 aufgelistet sein. Auch solche Unterlagen waren beschlagnahmefrei"maakt dat niet anders. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de inbeslaggenomen stukken waarover wordt geklaagd niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen, omdat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt dat het stukken zijn die onder het verschoningsrecht vallen onjuist is.
Het klaagschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift van 5 juni 2024 ongegrond.”

4.Het cassatiemiddel

4.1
De klacht in cassatie luidt dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling in raadkamer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de klager nimmer door de rechter-commissaris in staat is gesteld om zich uit te laten over het beslag. Subsidiair wordt aangevoerd dat de beslissing op het aanhoudingsverzoek berust op gronden die deze niet kunnen dragen, althans de motivering onbegrijpelijk is.
4.2
In de toelichting wordt naar de kern genomen aangevoerd dat de klager in het e-mailbericht dat is gevoegd bij het oorspronkelijke klaagschrift van 8 maart 2023 weliswaar een standpunt heeft ingenomen omtrent de vraag of de onder zijn cliënt inbeslaggenomen aantekeningen object zijn van zijn verschoningsrecht, maar deze aantekeningen nimmer aan hem ter hand zijn gesteld, zodat de klager geen kennis van de stukken heeft kunnen nemen. Om die reden is volgens de stellers van het middel niet daadwerkelijk voldaan aan de in de jurisprudentie van de Hoge Raad gestelde eis dat de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigde in staat stelt zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de stukken en gegevens. Volgens de stellers van het middel speelt de aard van de stukken daarbij in dit geval een (grote) rol: juist als het gaat om stukken die door een cliënt zijn vervaardigd, maar nog niet ter hand zijn gesteld aan een verschoningsgerechtigde, is het voor een verschoningsgerechtigde noodzakelijk om daarvan kennis te kunnen nemen om een geïnformeerd standpunt te kunnen innemen.
4.3
Tot slot wordt in de toelichting op het middel opgekomen tegen de overweging van de rechtbank bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, dat – kort gezegd – het in deze zaak gaat om een paar specifieke stukken waarover [betrokkene 1] de klager heeft kunnen inlichten, zeker nu de klager volledig afgaat op de mededeling van [betrokkene 1] dat de stukken onder klagers verschoningsrecht vallen.
Juridisch kader
4.4
Op grond van art. 94 lid 1 Sv Pro zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Ingevolge art. 98 lid 1 Sv Pro mogen bij personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv Pro brieven of geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet zonder hun toestemming in beslag worden genomen. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in een juridische procedure aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat. Algemeen uitgangspunt daarbij is dat het voor een beroep op het verschoningsrecht niet van belang is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt. [2]
4.5
De aard van de bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Dat betekent dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen of inbeslaggenomen stukken en/of gegevens. [3] Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven, geschriften of vastgelegde gegevens die geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit laatste het geval is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Als het standpunt van de verschoningsgerechtigde niet wordt ingewonnen, moet in beginsel het oordeel worden ingewonnen van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde, zoals voornoemde plaatselijke Deken van de Orde van Advocaten of Ringvoorzitter, dan wel een andere ter zake deskundige persoon. Waar het gaat om filtering van digitale gegevens, wordt dit gezaghebbende lid of deze deskundige persoon in de gelegenheid gesteld zich (ook) uit te laten over een geschikte wijze van filtering van vermoedelijk geprivilegieerde gegevens. [4]
4.6
Voor zover dat noodzakelijk is, mag door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken of gegevens worden kennisgenomen. [5] De omstandigheid dat de rechter-commissaris ter beoordeling van de relevantie van de stukken of gegevens voor de waarheidsvinding of ter beoordeling van het standpunt van de verschoningsgerechtigde kennisneemt van de stukken of gegevens als hiervoor bedoeld, brengt naar het oordeel van de Hoge Raad niet mee dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht. [6]
4.7
Bovenstaande procedure geldt ook indien in het kader van een EOB stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn opgeslagen of vastgelegd en de niet-verschoningsgerechtigde persoon onder wie de stukken in beslag zijn genomen of bij wie de gegevens zijn vastgelegd, aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van de inbeslaggenomen of de vastgelegde gegevens: ook dan is het (eerst) aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan. [7]
4.8
Ook informatie die nog niet aan de advocaat is medegedeeld, kan in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaat. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de informatie daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van diens beroep te worden toevertrouwd. [8] Ook in zo een geval is het in beginsel allereerst aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die geschriften object van zijn verschoningsrecht uitmaken. [9] Dat betekent dat ook in een dergelijk geval de verschoningsgerechtigde door de rechter-commissaris om een standpunt dient te worden gevraagd. [10] Het standpunt van de verschoningsgerechtigde dient ook in dit geval te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
4.9
Bij de beoordeling door de rechter(-commissaris) van de vraag of notities waarvan de inhoud nog niet aan de verschoningsgerechtigde ter kennis is gebracht, als geheimhouderstukken moeten worden aangemerkt, is van belang of die notities, gezien de aard en de inhoud daarvan, kunnen worden aangemerkt als bevattende informatie die door een cliënt aan een advocaat in de uitoefening van zijn beroep pleegt te worden toevertrouwd en of aannemelijk is dat die informatie in het concrete geval daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat te worden meegedeeld. [11]
Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
De rechtbank heeft het verzoek om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift kennelijk opgevat als dat daaraan ten grondslag is gelegd dat de rechter-commissaris de klager niet (in de volledige betekenis van dit vereiste) in staat heeft gesteld om zich uit te laten over zijn verschoningsrecht en zich in zoverre dus een gebrek heeft voorgedaan in de art. 98 Sv Pro-beoordeling door de rechter-commissaris, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de stukken opnieuw in handen worden gesteld van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verschoningsgerechtigde wel in staat is gesteld om zich uit te laten over zijn verschoningsrecht en heeft daarom het aanhoudingsverzoek afgewezen. Het cassatiemiddel bestrijdt dit oordeel.
4.11
Ik heb mij afgevraagd of het door de raadsman in raadkamer gedane verzoek niet zou kunnen worden opgevat als een verzoek om ten behoeve van de raadkamerbehandeling alsnog de inbeslaggenomen stukken te kunnen inzien – ongeacht of de gang van zaken bij de rechter-commissaris geheel juist is geweest. Over de (aan de rechtbank voorbehouden) uitleg van het verzoek – dat mij niet onbegrijpelijk voorkomt – klaagt het middel evenwel niet. Evenmin wordt in cassatie geklaagd over het oordeel van de rechtbank – in navolging van de rechter-commissaris – dat het verschoningsrecht van de klager niet van toepassing is op de stukken met beslagcodes A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
4.12
Dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld om zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot in beslag te nemen of reeds inbeslaggenomen stukken, hangt samen met het feit dat het in de eerste plaats aan de verschoningsgerechtigde is om een standpunt in te nemen over de vraag of bepaalde stukken onder zijn geheimhoudingsplicht vallen. De rechter-commissaris toetst vervolgens dit standpunt van de verschoningsgerechtigde. [12]
4.13
De Hoge Raad brengt het vereiste dat de verschoningsgerechtigde zich moet kunnen uitlaten over zijn verschoningsrecht in zijn rechtspraak hoofdzakelijk naar voren in gevallen waarin de verschoningsgerechtigde zijn verschoningsrecht nog niet eerder heeft
kunneninroepen. In het klassieke door art. 98 Sv Pro bestreken geval dat stukken in beslag worden genomen bij de verschoningsgerechtigde (bijvoorbeeld op zijn kantoor) zal de verschoningsgerechtigde zijn in art. 98 lid 2 Sv Pro bedoelde ‘bezwaar’ tegen de inbeslagneming doorgaans nog tijdens de doorzoeking kenbaar kunnen maken aan de rechter-commissaris. Anders wordt dat, als bijvoorbeeld de rechter-commissaris vanwege de grote omvang de op een advocatenkantoor inbeslaggenomen stukken ‘ongezien’ en verzegeld ter beoordeling meeneemt naar zijn kabinet, [13] of als de stukken of gegevens in beslag worden genomen bij een ander dan de verschoningsgerechtigde zelf (bijvoorbeeld zijn cliënt of personen met een afgeleid verschoningsrecht) en door die persoon wordt aangevoerd dat er zich onder die stukken geheimhouderstukken bevinden. In die gevallen, waarin de art. 98 Sv Pro-procedure naar analogie moet worden toegepast, wijst de Hoge Raad op de verplichting de verschoningsgerechtigde om zijn standpunt te vragen. [14] Het gaat zo bezien in de eerste plaats om het bieden van de gelegenheid aan de verschoningsgerechtigde om zijn verschoningsrecht in te roepen in gevallen waarin er reden is om aan te nemen dat zich geheimhouderstukken onder het beslag bevinden.
4.14
Dat de verschoningsgerechtigde in staat wordt gesteld zich omtrent zijn verschoningsrecht uit te laten, betekent mijns inziens ook dat de verschoningsgerechtigde minst genomen wetenschap moeten kunnen krijgen van hetgeen in beslag is genomen en mogelijk onder zijn verschoningsrecht valt. [15] De wijze waarop hij hierover wordt geïnformeerd is niet nader ingevuld in de wet of de jurisprudentie. Hierover laten zich ook moeilijk algemene regels formuleren, omdat van geval van geval zal verschillen welke informatie de verschoningsgerechtigde nodig heeft om zijn standpunt te kunnen bepalen. De ene keer zal de verschoningsgerechtigde aan een globale omschrijving van de stukken voldoende hebben, terwijl in andere gevallen de verschoningsgerechtigde meer zal moeten weten over de inhoud van potentieel verschoningsgerechtigde, inbeslaggenomen stukken of gegevens. In de praktijk is niet ongebruikelijk – voor zover de verschoningsgerechtigde niet reeds zelf al een standpunt kenbaar heeft gemaakt aan de rechter-commissaris naar aanleiding van het gelegde beslag – dat de verschoningsgerechtigde door de rechter-commissaris per brief of per mail wordt uitgenodigd om een standpunt in te nemen ten aanzien van het verschoningsrecht. Niet zelden gebeurt dat kenbaar maken van een standpunt door de verschoningsgerechtigde nadat de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigde op diens verzoek inzage heeft gegeven in de inbeslaggenomen stukken en/of gegevens, zodat de verschoningsgerechtigde in staat is (desgewenst) een meer geïnformeerd en genuanceerd standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of het verschoningsrecht van toepassing is. Hoewel de behoefte om een nadere toelichting op het beroep op het verschoningsrecht ook kan liggen bij de rechter-commissaris, [16] ligt het mijns inziens in beginsel op de weg van de verschoningsgerechtigde om aan de rechter-commissaris kenbaar te maken wat hij nodig heeft om in voldoende mate zijn standpunt te kunnen bepalen. In ieder geval bestaat niet zonder meer een verplichting voor de rechter-commissaris om uit eigen beweging de inbeslaggenomen stukken ter kennis te brengen van de verschoningsgerechtigde.
4.15
Uit de stukken van het geding blijkt dat de klager in dit geval niet pas door de rechter-commissaris op de hoogte is gebracht van het beslag op mogelijke geheimhouderstukken onder de cliënt van de klager, maar daarover eerder al is geïnformeerd door het openbaar ministerie. Bij de bijlagen bij het klaagschrift van de klager van 8 maart 2023 ex art. 5.4.10 jo 552a Sv (zaak 26/00061) waarnaar de rechtbank in de beslissing verwijst, bevindt zich een brief van 7 maart 2023 van de officier van justitie aan de klager, die klaarblijkelijk is bedoeld als kennisgeving van de beslaglegging in het kader van het EOB als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 en 2 Sv. In die kennisgeving schrijft de officier van justitie dat [betrokkene 1] het openbaar ministerie via zijn advocaat heeft geïnformeerd dat de klager zijn verschoningsrecht kan inroepen met betrekking tot bepaalde inbeslaggenomen stukken en gegevens en wordt de klager gewezen op de mogelijkheid binnen veertien dagen een klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen. In de e-mail van de klager aan zijn raadsman van 7 maart 2023 die eveneens bij het klaagschrift is gevoegd en waarop de rechtbank bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek wijst, volgt dat de klager ook de beschikking had over de beslaglijst waarop de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen stuken zijn aangeduid. De klager schrijft in de e-mail met betrekking tot (onder meer) de documenten met beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003 dat [betrokkene 1] zegt dat dit documenten betreffen die hij voor verdedigingsdoeleinden heeft opgesteld. Daarom kunnen volgens de klager de stukken niet in beslag worden genomen. De e-mail en het klaagschrift bevatten, zoals ook de rechtbank opmerkt, niet een verzoek om nadere kennisneming van de inbeslaggenomen stukken. Evenmin spreekt daaruit dat de klager een slag om de arm houdt als het gaat om de vraag of de documenten vallen onder zijn verschoningsrecht. In het namens de klager ingediende klaagschrift wordt naar deze e-mail verwezen onder de mededeling dat daarin “de geheimhoudersstukken worden toegelicht” en dat “over de vraag of sprake is van geheimhoudersstukken […] geen misverstand [bestaat]”. De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van dit klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager zijn beslissing gegeven.
4.16
Gelet op deze gang van zaken, getuigt het oordeel van de rechtbank – in navolging van kennelijk de rechter-commissaris – dat de klager in staat is gesteld om zich uit te laten over zijn verschoningsrecht niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De klager heeft immers naar aanleiding van de kennisgeving van het openbaar ministerie, de beschikbare beslaglijst en hetgeen zijn cliënt hem heeft verteld, zijn verschoningsrecht ten aanzien van de concrete in beslag genomen geschriften kunnen inroepen en hij heeft dat standpunt van een onderbouwing voorzien – het zou namelijk gaan om stukken die zijn cliënt voor verdedigingsdoeleinden zou hebben opgesteld. Het klaagschrift van 8 maart 2023 en de bijgevoegde e-mail van de klager houden niets in dat de rechter-commissaris duidelijk had moeten maken dat het slechts ging om een voorlopig standpunt van de klager, dat afhankelijk was van nadere kennisneming van de stukken. Het enkele feit dat aan het slot van dat klaagschrift – zoals ook in het klaagschrift ex art 98 lid 4 Sv Pro – is vermeld dat ten tijde van het indienen van het klaagschrift de (proces-)stukken nog niet voorhanden waren en de klager zich het recht voorbehoudt de gronden waarop het klaagschrift rust aan te vullen of te wijzigen, brengt dat nog niet met zich. Het standpunt dat door de klager is ingenomen in het klaagschrift en de e-mail heeft daarmee in dit geval het vertrekpunt kunnen vormen voor toetsing van het beroep op het verschoningsrecht door de rechter-commissaris. Het in cassatie bestreden oordeel van de rechtbank dat in zoverre geen aanleiding bestaat voor aanhouding van de behandeling van het klaagschrift en de stukken opnieuw in handen te stellen van de rechter-commissaris, is tegen die achtergrond mijns inziens niet onbegrijpelijk.
4.17
De overweging dat het in deze zaak gaat om een paar specifieke stukken waarover [betrokkene 1] de klager heeft kunnen informeren “zeker nu de klager volledig afgaat op de mededeling van [betrokkene 1] dat de stukken onder klagers verschoningsrecht vallen” betreft kennelijk slechts een overweging ten overvloede, waarmee de rechtbank een verschil heeft willen aanduiden tussen het voorliggende geval en zaken waarin grote hoeveelheden (mogelijke) geheimhouderstukken worden uitgefilterd met specifieke zoektermen en waarbij in de praktijk de verschoningsgerechtigde wel door de rechter-commissaris wordt betrokken.
4.18
Het cassatiemiddel faalt.

5.Slotsom

5.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 9 april 2024, ECLIN:NL:HR:2024:562,
2.Vgl. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302,
3.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566,
4.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
5.HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434,
6.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566,
7.HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:565, rov. 2.4.1. Dat brengt met zich dat als de rechtbank bij de behandeling van een op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat ten aanzien van de inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens een beroep op het verschoningsrecht is gedaan en de rechter-commissaris daarover nog niet heeft beslist, zij de behandeling van het klaagschrift moet aanhouden en de zaak in handen van de rechter-commissaris moet stellen om een beschikking te geven als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv Pro. Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming of, als het gaat om vastgelegde gegevens, de kennisneming is toegestaan, dan moet gehandeld worden zoals in art. 98 lid 3 Sv Pro bepaald. Voor een inhoudelijk oordeel over de vraag of de inbeslaggenomen voorwerpen ook kunnen bijdragen aan de gegrondheid van de verdenking is in de beklagprocedure in het kader van een EOB geen plaats: de beklagrechter mag bij de behandeling van het klaagschrift ingevolge ar. 5.4.10 lid 3 Sv geen onderzoek doen naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Zie HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940,
8.HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193,
9.HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686,
10.HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193,
11.HR 25 november 2016, ECLINL:HR:2016:2686,
12.Specifieke situaties kunnen om een aangepaste handelswijze vragen. Vgl. HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048,
13.Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434,
14.Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076,
15.Ik laat hier buiten de beschouwing het geval dat vanwege de grote omvang van inbeslaggenomen gegevens de geheimhouderstukken worden uitgefilterd met specifieke zoektermen. Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268,
16.In dat verband verdient vermelding dat het voorgenomen art. 2.7.62 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering erin voorziet dat de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigde buiten de aanwezigheid van anderen hoort, teneinde een toelichting te krijgen op het standpunt dat het verschoningsrecht van toepassing is.