Conclusie
1.Inleiding
2.De voorafgaande procesgang
3.De feitelijke aanleg
AG: bedoeld zal zijn: 2018]). [betrokkene 2], zo maakt de rechter-commissaris uit de stukken op, is de toenmalig managing director van ‘Middel East Financial Services DMCC’ en dus niet iemand die op grond van zijn beroep een verschoningsrecht toekomt. Gelet hierop en nu verder uit niets blijkt dat het bij deze notities gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken, kan daarom redelijkerwijs geen twijfel erover bestaan dat deze notities niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
Beklag
"Herr [betrokkene 1] sagte, dass er auch handschriftliche Aufzeichnungen zu Verteidigungszwecken gefertigt habe. Diese dürften im Sicherstellungsverzeichnis unter A.01.03.001 und oder A.01.04.001 und oder A.01.004.003 und oder A.01.03.002 und oder A.01.05.003 aufgelistet sein. Auch solche Unterlagen waren beschlagnahmefrei"maakt dat niet anders. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de inbeslaggenomen stukken waarover wordt geklaagd niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen, omdat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt dat het stukken zijn die onder het verschoningsrecht vallen onjuist is.
4.Het cassatiemiddel
kunneninroepen. In het klassieke door art. 98 Sv Pro bestreken geval dat stukken in beslag worden genomen bij de verschoningsgerechtigde (bijvoorbeeld op zijn kantoor) zal de verschoningsgerechtigde zijn in art. 98 lid 2 Sv Pro bedoelde ‘bezwaar’ tegen de inbeslagneming doorgaans nog tijdens de doorzoeking kenbaar kunnen maken aan de rechter-commissaris. Anders wordt dat, als bijvoorbeeld de rechter-commissaris vanwege de grote omvang de op een advocatenkantoor inbeslaggenomen stukken ‘ongezien’ en verzegeld ter beoordeling meeneemt naar zijn kabinet, [13] of als de stukken of gegevens in beslag worden genomen bij een ander dan de verschoningsgerechtigde zelf (bijvoorbeeld zijn cliënt of personen met een afgeleid verschoningsrecht) en door die persoon wordt aangevoerd dat er zich onder die stukken geheimhouderstukken bevinden. In die gevallen, waarin de art. 98 Sv Pro-procedure naar analogie moet worden toegepast, wijst de Hoge Raad op de verplichting de verschoningsgerechtigde om zijn standpunt te vragen. [14] Het gaat zo bezien in de eerste plaats om het bieden van de gelegenheid aan de verschoningsgerechtigde om zijn verschoningsrecht in te roepen in gevallen waarin er reden is om aan te nemen dat zich geheimhouderstukken onder het beslag bevinden.