ECLI:NL:PHR:2026:625

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
26/00065
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 98 lid 2 SvArt. 98 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken belang bij verschoningsrecht

De zaak betreft een klaagschrift van de klager tegen de inbeslagneming van voorwerpen die mogelijk onder het verschoningsrecht van zijn Duitse advocaat vallen. Na een doorzoeking op 28 februari 2023 werden diverse documenten in beslag genomen. De rechtbank Limburg verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat de beschikking van de rechter-commissaris, die bepaalde stukken als verschoningsgerechtigd aanmerkte, onherroepelijk zou zijn geworden.

De Hoge Raad vernietigde deze beschikking en wees de zaak terug omdat niet was gebleken dat de beschikking aan de advocaat was betekend. Na betekening op 28 mei 2024 dienden zowel de advocaat als de klager klaagschriften in. De rechtbank behandelde deze en verklaarde het klaagschrift van de klager ongegrond, stellende dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vielen.

In het cassatieberoep concludeert de advocaat tot verwerping van zijn beroep, waarmee het verschoningsrecht definitief is afgewezen. De Procureur-Generaal adviseert daarom het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, aangezien het oordeel over het verschoningsrecht in de samenhangende zaak onherroepelijk is. Dit betekent dat het klaagschrift van de klager geen grond meer heeft en het cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de klager wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij het beroep op het verschoningsrecht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00065 Br
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[de klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de klager

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 (RK 25-013283) het klaagschrift ex art. 5.4.10 jo 552a Sv, strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager omdat het geheimhouderstukken betreft, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 25/04301 en 26/00061. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Vijf andere samenhangende zaken (25/04319, 25/04320, 26/00059, 26/00062 en 26/00064) zijn door de Hoge Raad reeds bij arresten van 2 juni 2026 afgedaan. In die zaken zijn geen middelen ingediend, zodat het cassatieberoep door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard.
1.4
Als ik het hierna heb over ‘de klagers’, bedoel ik daarmee steeds de klager in de onderhavige zaak en de klager in de samenhangende zaken 25/04301 en 26/00062 (zijnde de Duitse advocaat van de klager, [de advocaat]).

2.De voorafgaande procesgang

2.1
Op 16 februari 2023 heeft het functioneel parket te Rotterdam naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Duitse officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Limburg de (bedrijfs-)woning van de klager zal doorzoeken ter inbeslagneming.
2.2
Deze doorzoeking heeft op 28 februari 2023 op het adres van de klager plaatsgevonden. Hierbij is beslag gelegd op diverse voorwerpen, waaronder verschillende ordners, handgeschreven notities en USB-sticks.
2.3
Op 7 maart 2023 heeft de klager op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming van diverse voorwerpen op de grond dat deze voorwerpen onder het verschoningsrecht van zijn advocaat ([de advocaat]) vallen. [de advocaat] heeft tegen de inbeslagneming van dezelfde voorwerpen op 8 maart 2023 eveneens een klaagschrift op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv ingediend.
2.4
Op 14 maart 2023 is de behandeling van de beide klaagschriften door de rechtbank aangehouden in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris op het in het beklag vervatte bezwaar van [de advocaat] op grond van art. 98 lid 2 Sv Pro.
2.5
Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris naar aanleiding van dit bezwaar beslist dat de Leitz-ordner, het stuk A.01.03.001 en de USB-stick(s) vallen onder het verschoningsrecht van [de advocaat] en de inbeslagneming in zoverre niet is toegestaan. De overige inbeslaggenomen stukken, waaronder de stukken met beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003 (in de stukken ook wel geduid met A.01.04.003), A.01.05.002 en A.01.05.003, vielen volgens de rechter-commissaris niet onder het verschoningsrecht van [de advocaat]. In zoverre is de inbeslagneming wel toegestaan door de rechter-commissaris.
2.6
Bij beschikking van 11 juli 2023 heeft de raadkamer van de rechtbank Limburg de beide op 7 en 8 maart 2023 ingediende klaagschriften ex art. 552a Sv ongegrond verklaard omdat tegen de beschikking van de rechter-commissaris door de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro was ingediend. Tegen deze beschikking hebben de beide klagers cassatie ingesteld.
2.7
Op 9 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het beroep in cassatie in beide zaken. De Hoge Raad heeft de beschikkingen van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023 daarbij vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Limburg op de grond – kort gezegd – dat de rechtbank er in haar beschikking van 11 juli 2023 van uit is gegaan dat de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 onherroepelijk was geworden nu daartegen door de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift was ingediend, terwijl uit de stukken niet kon blijken dat de beschikking aan de verschoningsgerechtigde ([de advocaat]) was betekend. [1]
2.8
Op 28 mei 2024 is de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 alsnog aan [de advocaat] betekend. Daartegen is namens [de advocaat] op 5 juni 2024 een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend. Op dezelfde datum is ook namens de klager een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend.
2.9
In totaal zijn door de klagers naar aanleiding van de beslaglegging op verschillende momenten in de procedures (vóór en na de terugwijzing door de Hoge Raad), acht klaagschriften ingediend.
2.1
Op 15 juli 2025 zijn alle door de klagers ingediende klaagschriften gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld door de rechtbank. Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak gedaan op alle klaagschriften.
2.11
De beschikking die thans voorligt, betreft de beschikking van de rechtbank op het op 7 maart 2023 namens de klager ingediende klaagschrift ex art. 5.4.10 jo 552a Sv. Dit klaagschrift strekt tot teruggave van (een deel van) de inbeslaggenomen voorwerpen omdat de voorwerpen vallen onder het verschoningsrecht van [de advocaat].
2.12
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:

Beklag
Het 552a Sv-klaagschrift strekt tot teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggeven [
AG: bedoeld zal zijn: teruggegeven], daar deze mogelijk vallen onder het verschoningsrecht van [de advocaat], zijn Duitse advocaat. Het gaat om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
Namens de klager is aangevoerd dat de rechter-commissaris bij zijn beoordeling of het ging om verschoningsgerechtigde stukken een onjuist dan wel onvolledig toetsingscriterium heeft toegepast. Daartoe heeft de raadsman van klager verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 20216 (ECLI:NL:HR:2016:2686), waarin deze - kort gezegd - overweegt dat ook geschriften waarvan de inhoud nog niet aan raadsman is meegedeeld, in uitzonderingsgevallen object kunnen uitmaken van het verschoningsrecht van advocaat. In raadkamer heeft de verdediging haar klaagschrift aangevuld met het primaire verzoek om de behandeling van de klaagschriften aan te houden en [de advocaat] in de gelegenheid te stellen de inhoud van voornoemde stukken te onderzoeken om zo vast te kunnen stellen of deze onder zijn verschoningsrecht vallen.
[…]
Beoordeling
[…]
Zoals hiervoor in het toetsingskader is uiteengezet, worden de goederen die in het kader van een EOB in beslag zijn genomen overgedragen aan de verzoekende autoriteit, tenzij daarvoor beletselen zijn.
Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die vallen onder het verschoningsrecht. In de beschikking op het door [de advocaat] ingediende 98 Sv-klaagschrift van 4 juni 2024, [2] die eerder op dezelfde dag is uitgesproken als onderhavige beschikking, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat onder de stukken waarover wordt geklaagd zich geen stukken bevinden die onder het verschoningsrecht vallen. Het verschoningsrecht vormt derhalve geen beletsel voor de uitlevering van de inbeslaggenomen stukken aan Duitsland.
Van overige (formele) beletselen om de in beslag genomen goederen over te dragen aan de Duitse autoriteiten is de rechtbank op basis van het haar ter beschikking gestelde dossier niet gebleken, waarbij opgemerkt wordt dat de in beslag genomen goederen passen in de omschrijving van de Duitse autoriteiten van goederen die zij graag in beslag genomen en overgedragen zien. Door de verdediging is ook omtrent enig ander beletsel dan het verschoningsrecht niets aangevoerd. Gelet op het bovenstaande dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift van 7 maart 2023 ongegrond.”

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Waar het gaat om het verschoningsrecht, dient in de beklagzaak van de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de betreffende stukken of gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan. Als het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet het beklag van de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. [3]
3.2
Aan het beklag van de klager dat in deze zaak aan de orde is, ligt met betrekking tot de thans nog onder beslag liggende voorwerpen geen andere grond ten grondslag dan dat die voorwerpen object zouden zijn van het verschoningsrecht van [de advocaat]. In de samenhangende zaak van [de advocaat] (25/04301) waarin de rechtbank op het klaagschrift van [de advocaat] ex art. 98 lid 4 jo Pro 552a Sv heeft geoordeeld dat de betreffende voorwerpen niet vallen onder zijn verschoningsrecht, heb ik vandaag geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Als de Hoge Raad mij daarin volgt, heeft de klager geen belang meer bij zijn beklag en kan hij niet in het cassatieberoep worden ontvangen. [4]
3.3
Voor het geval de Hoge Raad in de voornoemde zaak van [de advocaat] (25/04301) mijn conclusie niet volgt en oordeelt dat de rechtbank opnieuw moet beslissen op het beroep op het verschoningsrecht, merk ik op dat het tweede cassatiemiddel in dat geval terecht opkomt tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift van de klager, waaraan de rechtbank immers ten grondslag heeft gelegd dat de betreffende stukken niet vallen onder het verschoningsrecht van [de advocaat]. Dat moet dan leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. [5] Het eerste middel, dat klaagt dat de rechtbank niet heeft beslist op het aanhoudingsverzoek, kan dan buiten bespreking blijven.

4.Slotsom

4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 9 april 2024, ECLIN:NL:HR:2024:562,
2.AG: bedoeld zal zijn: het op 5 juni 2024 door [de advocaat] ingediende klaagschrift.
3.Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076,
4.HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1031; HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316,
5.Vgl. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1343,