Conclusie
Nummer24/01721
Inleiding
poging tot doodslag" veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. [1] In hetzelfde arrest heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder heeft het hof het Openbaar Ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde dragen van een opvouwbaar mes.
Het eerste middel
de kern en de essentie” niet wisselend heeft verklaard.
niet anders kan zijn dat hij zelf is aangevallen en zich enorm in het nauw gedreven voelde en dit voldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring” van de verdachte opleverde. Daarbij wordt gewezen op de verklaring van de echtgenote van de verdachte en het rapport van de psycholoog van de verdachte. Op de inhoud daarvan kom ik terug bij de bespreking van de klacht.
nietwisselend heeft verklaard. Tot de kern en essentie zou volgens de steller van het middel echter niet behoren of de verdachte daarna
op de aangever is afgelopen(vóór het steken met een mes en het spuiten van pepperspray). Het tweede moment dat voor de steller van het middel van belang is, betreft de worsteling waarbij de verdachte heeft gestoken en de aangever pepperspray heeft gebruikt. Voor de steller van het middel behoort wat de verdachte al dan niet over de worsteling heeft verklaard niet tot de kern en de essentie van zijn verklaring omdat de worsteling heeft plaatsgevonden hetzij
nahet door de aangever met pepperspray spuiten in het gezicht van de verdachte (in de versie van de verdachte) hetzij
nahet door de aangever steken van de aangever (in de versie van de aangever).
De processuele feiten
hij op 26 december 2019 in de [plaats] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes die [slachtoffer] in de rug en borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2019, dossierpagina’s 101-102, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals nader verwoord in de pleitnota, bepleit dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer(exces). Daartoe is in de kern aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte als eerste heeft aangevallen door hem met pepperspray in zijn gezicht te spuiten. De verdachte kon vervolgens niets meer zien en raakte daardoor in paniek. In die paniek heeft de verdachte zijn mes gepakt, waarop er een worsteling met de aangever is ontstaan, de verdachte een pijnscheut in zijn been heeft gevoeld en hij daarna de aangever met het mes heeft gestoken. Hoewel de aangever anders heeft verklaard over de gebeurtenissen, dient de verklaring van de verdachte als het meest betrouwbaar te worden gevolgd, omdat de aangever [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over diverse momenten.
De bespreking van het middel
gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk[zijn]
geworden”. [2] De beoordeling van de aannemelijkheid van de feitelijke grondslag van excepties als noodweer vergt van het hof een selectie en waardering van vaststaande feiten en omstandigheden. Een en ander is feitelijk van aard en daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar. [3]
de kern en essentie”, aldus de steller van het middel.
directnadat hij zich had omgedraaid met pepperspray in het gezicht werd gespoten. [5] De verwijzing door het hof naar deze verklaring steunt de vaststelling dat de verdachte ‘wisselend’ heeft verklaard. Ter zitting van de rechtbank heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij op het moment dat hij zich omdraaide nattigheid in zijn gezicht voelde dat begon te bijten. [6] In zijn aangifte en ter zitting van het hof heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij (nadat hij zich had omgedraaid) op de aangever is afgelopen en
toenpepperspray in zijn gezicht kreeg gespoten.
niet anders kan zijn dat hij zelf is aangevallen en zich enorm in het nauw gedreven voelde en dit voldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring” van de verdachte opleverde.
Allereerst is van belang dat een dergelijke geweldsexplosie in het geheel niet bij cliënt en bij zijn karakter past. Cliënt is nog nooit met politie en justitie in aanraking gekomen en gesteld kan dus ook worden dat cliënt absoluut niet gewelddadig is. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van zijn echtgenote [betrokkene 1] . Zij zijn al erg lang gehuwd en zij zijn, zoals cliënt ook heeft verklaard, mede door zijn handicap, zeer goed op elkaar ingespeeld. [betrokkene 1] kent cliënt dus door en door en zij verklaart het navolgende over hetgeen gebeurd is: ‘Hij zou dit niet uit zichzelf doen, hij moet zich heel erg in het nauw gedreven moeten hebben gevoeld, anders doet hij zoiets niet.
’ Daarnaast verklaart zij ook: ‘Als hij met zijn aandoening pepperspray in zijn gezicht krijgt, snap ik dat hij in paniek is geraakt. Dit moet een wanhoopsdaad zijn geweest van mijn man.
' De verdediging is van mening dat dit een zeer betrouwbare verklaring betreft, te meer nu [betrokkene 1] ook verklaart dat cliënt boos kan worden en een kort lontje kan hebben.
Het tweede middel
de factogeen sprake is van strafvermindering of (iii) de strafvermindering niet op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het feit alsmede de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren in beginsel gerechtvaardigd is.
de factogeen sprake is van strafvermindering kan ik echter niet volgen, ten eerste niet als ik de maximumgevangenisstraf van vier jaren en zes maanden die zou zijn opgelegd vergelijk met de maximumgevangenisstraf van vier jaren die het hof daadwerkelijk heeft opgelegd en ten tweede niet als ik het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraffen met elkaar vergelijk. Het hof heeft overwogen dat het een gevangenisstraf zou hebben opgelegd die neerkomt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden en heeft een gevangenisstraf opgelegd die neerkomt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.