ECLI:NL:PHR:2026:66

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/01721
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging doodslag na woordenwisseling over hond, beroep op noodweer(exces)

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1961, veroordeeld wegens poging tot doodslag na een woordenwisseling met het slachtoffer over het ongelijnd uitlaten van een hond. De verdachte heeft het slachtoffer negen keer in de borst en rug gestoken. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte eerder veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf, waarvan twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van een tweede tenlastelegging wegens verjaring. De verdachte heeft cassatie ingesteld en twee middelen van cassatie voorgesteld. Het hof heeft het beroep op noodweer(exces) verworpen, omdat het is uitgegaan van de verklaringen van het slachtoffer, die als betrouwbaarder werden beschouwd dan die van de verdachte. De verdachte heeft wisselend verklaard over de gebeurtenissen, wat het hof als onbegrijpelijk heeft aangemerkt. De verdachte heeft verklaard dat hij handelde uit paniek na een aanval met pepperspray door het slachtoffer, maar het hof oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer consistenter waren. De strafmotivering van het hof is ook aan de orde gekomen, waarbij het hof de straf heeft gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met aftrek van voorarrest, en is het beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01721

Zitting13 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 16 april 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-000682-23) wegens "
poging tot doodslag" veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. [1] In hetzelfde arrest heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder heeft het hof het Openbaar Ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het onder 2 ten laste gelegde dragen van een opvouwbaar mes.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Bewezen verklaard is dat de verdachte de aangever meerdere keren met een mes heeft gestoken. Tussen de verdachte en de aangever bestond al enige tijd onenigheid over het door de aangever ongelijnd uitlaten van zijn hond. Op de bewuste avond van tweede kerstdag kwamen de verdachte en de aangever elkaar tegen toen zij beiden hun hond uitlieten. Nadat de aangever daarop door de verdachte was aangesproken, heeft de aangever in het voorbijlopen iets tegen de verdachte gezegd wat de verdachte zegt niet te hebben verstaan, heeft de verdachte zich omgedraaid en heeft de verdachte op de aangever ingestoken en hem daarbij in totaal negen keer in zijn rug en borst geraakt.
4. In eerste aanleg heeft de rechtbank het beroep op noodweerexces aanvaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de aangever de verdachte met pepperspray in het gezicht had gespoten waarna de verdachte op de aangever heeft ingestoken. Het hof is van een andere volgorde uitgegaan zoals bij de bespreking van het eerste middel zal blijken.

Het eerste middel

5. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer(exces), mede gelet op wat door en namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd. In cassatie wordt in het bijzonder geklaagd over de beoordeling van de (on)betrouwbaarheid van verklaringen van de verdachte en de aangever die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing om bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden uit te gaan van de verklaring van de aangever. Daarbij gaat het vooral om de vraag of de verdachte eerst heeft gestoken waarna de aangever pepperspray heeft gespoten, dan wel andersom. Het hof is uitgegaan van de verklaring van de aangever die inhoudt dat de verdachte hem heeft gestoken en dat hij in reactie daarop de verdachte pepperspray in het gezicht heeft gespoten. De verdachte heeft daarentegen verklaard dat hij pas heeft gestoken nadat de aangever hem pepperspray in het gezicht had gespoten.
6. In cassatie wordt in de kern aangevoerd dat de keuze van het hof onbegrijpelijk is omdat deze is gebaseerd op inconsistenties (‘wisselingen’) in de verklaringen van de verdachte. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte in “
de kern en de essentie” niet wisselend heeft verklaard.
7. Als afzonderlijke klacht wordt aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de toedracht waarover de verdachte heeft verklaard aannemelijk is en het “
niet anders kan zijn dat hij zelf is aangevallen en zich enorm in het nauw gedreven voelde en dit voldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring” van de verdachte opleverde. Daarbij wordt gewezen op de verklaring van de echtgenote van de verdachte en het rapport van de psycholoog van de verdachte. Op de inhoud daarvan kom ik terug bij de bespreking van de klacht.
8. Voordat ik de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de verwerping van het verweer weergeef, wijs ik op twee momenten die voor de steller van het middel van bijzonder belang zijn. Dat is ten eerste het moment van het zich omdraaien door de verdachte gevolgd door het spuiten van pepperspray in het gezicht van de verdachte door de aangever nadat de aangever iets tegen de verdachte had gezegd. De steller van het middel voert aan dat de verdachte over dat moment
nietwisselend heeft verklaard. Tot de kern en essentie zou volgens de steller van het middel echter niet behoren of de verdachte daarna
op de aangever is afgelopen(vóór het steken met een mes en het spuiten van pepperspray). Het tweede moment dat voor de steller van het middel van belang is, betreft de worsteling waarbij de verdachte heeft gestoken en de aangever pepperspray heeft gebruikt. Voor de steller van het middel behoort wat de verdachte al dan niet over de worsteling heeft verklaard niet tot de kern en de essentie van zijn verklaring omdat de worsteling heeft plaatsgevonden hetzij
nahet door de aangever met pepperspray spuiten in het gezicht van de verdachte (in de versie van de verdachte) hetzij
nahet door de aangever steken van de aangever (in de versie van de aangever).

De processuele feiten

9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat

hij op 26 december 2019 in de [plaats] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes die [slachtoffer] in de rug en borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
10. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 december 2019, dossierpagina’s 101-102, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(pagina 101)
Op 26 december 2019 omstreeks 19.20 uur ontvingen wij de melding via het Operationeel Centrum te Maastricht dat er een steekpartij had plaatsgevonden. Het slachtoffer zou op de [a-straat 1] aanwezig zijn en diverse steekwonden hebben. Daaropvolgend ontvingen wij een tweede melding dat een slachtoffer van een steekpartij in de woning aan de [b-straat 1] aanwezig zou zijn. (...) Wij besloten naar de [a-straat 1] te gaan. Omstreeks 19.30 uur kwamen wij ter plaatse in de woning. Wij zagen een man met een bebloed grijs shirt op de bank zitten. Ik zag dat de man zijn rechterarm uitreikte en in zijn hand een zilverkleurig ingeklapt zakmes vasthield. Ik, [verbalisant 2] , pakte dit mes en legde het op de salontafel. Wij hoorden dat de man tegen ons zei dat hij het mes van de dader had afgepakt en dat dit het mes was dat nu op de salontafel lag- Wij zagen dat er een zilverkleurig dichtgeklapt zakmes van ongeveer 10 centimeter lang op de salontafel lag. Wij stelden dit mes veilig.
Wij hoorden dat de man tegen ons zei dat hij was aangevallen en gestoken met een mes terwijl hij zijn hond uitliet. Wij vroegen naar zijn naam en hoorden dat hij [slachtoffer] heette. Wij vroegen hem zijn shirt uit te doen en hieraan voldeed hij. Wij zagen dat er ongeveer 5 bloedende sneetjes met een doorsnee van ongeveer 1 centimeter verdeeld over zijn rug zaten en nog ongeveer 4 sneetjes ter hoogte van zijn borst en buik.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 december 2019, dossierpagina’s 50-55, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
(pagina 50)
Ik doe aangifte van zware mishandeling op de [c-straat] te [plaats] op 26 december 2019 tussen 19.17 uur en 20.15 uur.
(pagina's 51-52)
Ik zag ze al van ver. Ik zei […] kom hier, het hondje kwam. Ik zette hem aan de riem. Ik zag ze splitsen.
Hij was met zijn vrouw en hondje. Vrouw en hondje lopen naar links en hij loopt naar mij toe. Hij zei: ‘Hee, ik was vergeten dat ik je had gewaarschuwd he’. Ik zei: ‘Je hebt mij nooit uitgelegd wat die waarschuwing was, ga je mij doodmaken of eh?" Hij zei: "Nee ik ga je doodsteken”. Hij had het mes al open in zijn hand.
Hij stak mij gelijk. Hij begon te steken van voren. Ik sprong, naar achteren. Ik kon me herinneren dat ik zo’n spuitbusje had van pepperspray. Ik spoot hem in zijn ogen, recht op de bril. Toen heb ik hem op de grond gelegd, maar het mes kon ik niet wegpakken. Hij stak mij achter. Ik zei: ‘Geef het mesje want dan laat ik je gaan’. Ik kreeg de kans mijn knieën in zijn ballen te geven. Toen gaf hij zich over.
Tenslotte heeft hij mij het mes gegeven.
V: Wat bedoelde hij met ik heb je gewaarschuwd?
A: Zeven maanden geleden gaf hij mij een waarschuwing dat dit de eerste en de laatste keer was met de hond. Dat ik de hond niet vrij mocht laten lopen.
(pagina 53)
V: Hij stak met een mes in de voorkant van uw lichaam. Wat deed u dat hij op de grond kwam?|
A: Ik spoot met de pepperspray die had ik in de binnenkant van mijn jas. Het werkte. Ik pakte hem op en werkte hem op de grond. Hij lag op de grond en ik boven hem. Totdat ik zijn andere hand kon bedwingen, stak hij mij vijf keer in de rug. Ik gaf hem een klap in zijn ballen. Het steekwapen was dicht en hij rende weg.
Toen ik de spray pakte, had hij mij al gestoken.
Ik zei ‘Ik laat je gaan als je het mes geeft’. Hij klapte het mes dicht en gaf het aan mij. Hij stond op en nam de benen.
3. Een geschrift, te weten een Letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD Limburg-Noord, opgemaakt door forensisch arts KNMG [specialist] d.d. 27 december 2019, dossierpagina's 56-58, voor zover inhoudende:
(pagina 56)
Naam: [slachtoffer]
Datum letselonderzoek 27 december 2019
Gemelde toedracht: Zou tijdens uitlaten hond plotseling aangevallen zijn en gestoken met mes in borst en rug.
Toelichting: Meerdere steekwonden in borst (4x) en rug (5x)
SEH diagnose: Traumatische hematothorax rechts (bloedophoping in rechter borstholte) en traumatische pneumothorax rechts (klaplong) na diverse steekverwondingen met mes. De bloedophoping werd veroorzaakt door een bloeding uit en doorgesneden/aangesneden intercostaalarterie (arterie die min of meer evenwijdig aan de ribben verloopt). In dit geval tussen rib 7 en 8, rechter achter onder. Deze bloeding is gestelpt middels radiologische embolisatie van de lekkende arterie.
Onderzoek
Toelichting Aangetoond inwendig letsel: 1) longletsel (aangeprikte long) waardoor (pagina 57) pneumothorax 2) vaatletsel, waardoor bloeding in thoraxholte.
Om het beschreven letsel te veroorzaken moet toch behoorlijk diep ingestoken worden: 5-7 cm. Als met een dergelijke insteekdiepte in de hartstreek was gestoken, was deze steekpartij waarschijnlijk fataal afgelopen.
4. Een geschrift, te weten een brief van de [huisarts] d.d. 2 februari 2023, als bijlage gevoegd bij het voegingsformulier van de benadeelde partij, voorzover inhoudende:
Betreft [slachtoffer]
Betrokkene liep na een groot aantal steekwonden een levensgevaarlijk letsel op longbloeding en klaplong. Patiënt kwam op de IC terecht nadat er een drain geplaatst werd voor de klaplong en de bloeding moest via een katheter in de bloedvaten gestopt worden.
5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 december 2019, dossierpagina’s 35-39, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(pagina 37)
V: Kun je aangeven wat je gisteren hebt gedaan?
A: (...) Om 19.00 uur/19.30 uur ben ik samen met mijn vrouw gaan wandelen met de hond. Ik zag toen de man met de andere hond lopen. Deze man woont in de flat aan de [a-straat] in [plaats] . (...) We liepen verder en gingen een hofje in. We hebben ongeveer 10 minuten in het hofje gelopen. Vervolgens troffen we de man weer bij de bij-ingang van het kerkhof. Deze ligt aan de [c-straat] te [plaats] . Mijn vrouw stak vervolgens direct over met de hond. Ik ben niet overgestoken en heb de man aangesproken in het voorbijgaan. Ik sprak hem aan over het loslopen van zijn hond. De man begon te tieren. Hij begon te schelden of roepen. Ik kon dat alleen niet verstaan. (...) Ik draaide me daarom om.
(…)
Ik pakte mijn zakmes.
(…)
Ik heb hem vervolgens overal gestoken waar ik hem raken kon. Ik lag snel op de grond. Ik verstond dat de man mij los zou laten als ik het mes af zou geven. Ik heb het mes afgegeven en de man ging van mij af.
V: Waarom draaide u zich om?
A: Ik wilde verhaal halen. Ik wilde weten wat hij zei en wat er aan de hand was. (...) Ik ben terug gelopen.
V: Wat voor mes was dit?
A: Een zakmes, ik schat dat het lemmet 8 centimeter is en het handvat 10 centimeter.
V: Wij laten de verdachte een mes zien met SIN AALZ5406NL (het hof begrijpt: het onder [slachtoffer] inbeslaggenomen mes).
A: Ja, dat is mijn mes.
6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 december 2019, dossierpagina’s 40-44, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(pagina 42)
Ik pakte mijn mes uit mijn rechter broekzak en pakte dit met twee handen vast om het open te klappen.”
11. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof het volgende overwogen:

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof is van oordeel dat noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de verdachte de intentie (het volle opzet) had om [slachtoffer] van het leven te beroven.
Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - sprake is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte aangever [slachtoffer] met een mes, met een snijgedeelte van 8 centimeter lang, negen keer in diens bovenlichaam heeft gestoken, te weten vijf keer in de rug en vier keer in de borst. [slachtoffer] heeft hierbij onder andere een klaplong en vaatletsel en daardoor bloedophoping in de borst opgelopen.
Door met een dergelijk mes zo vaak in het bovenlichaam van [slachtoffer] te steken bestond er een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Dat dit gevaar zich in deze zaak ook concreet heeft voorgedaan, blijkt wel uit de letselrapportage en de brief van de huisarts. Zo is [slachtoffer] op de intensive care opgenomen en moest de bloeding worden gestelpt middels radiologische embolisatie. Forensisch geneeskundige dr. [specialist] heeft voorts aangegeven dat er diep (5-7 centimeter) moet zijn ingestoken en dat als met een dergelijke insteekdiepte in de hartstreek was gestoken, dit waarschijnlijk fataal was afgelopen.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gestoken waar hij hem maar raken kon. Met andere woorden: het maakte voor de verdachte kennelijk geen verschil of hij daarbij wel of niet op een plek in het lichaam zou steken die potentieel dodelijk kon zijn. Uit die verklaring volgt haar het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg bewust heeft aanvaard.
Het hof acht de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag derhalve wettig en overtuigend bewezen.”
12. Het hof heeft het beroep op noodweer en noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals nader verwoord in de pleitnota, bepleit dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij heeft gehandeld uit noodweer(exces). Daartoe is in de kern aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte als eerste heeft aangevallen door hem met pepperspray in zijn gezicht te spuiten. De verdachte kon vervolgens niets meer zien en raakte daardoor in paniek. In die paniek heeft de verdachte zijn mes gepakt, waarop er een worsteling met de aangever is ontstaan, de verdachte een pijnscheut in zijn been heeft gevoeld en hij daarna de aangever met het mes heeft gestoken. Hoewel de aangever anders heeft verklaard over de gebeurtenissen, dient de verklaring van de verdachte als het meest betrouwbaar te worden gevolgd, omdat de aangever [slachtoffer] wisselend heeft verklaard over diverse momenten.
Het hof overweegt als volgt.
Noodweer
Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling van de verdachte wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Het hof stelt op grond van de verklaringen van de verdachte en aangever [slachtoffer] vast dat de verdachte op 26 december 2019 tijdens het uitlaten van zijn hond aangever heeft aangesproken op het feit dat hij zijn hond niet had aangelijnd, waar dit wel had gemoeten. De verdachte had aangever daar al enkele maanden eerder een keer op aangesproken. Nadat de verdachte aangever daar op 26 december 2019 wederom op aansprak, is dit uitgelopen op een fysieke confrontatie tussen beiden, waarbij zij (uiteindelijk) samen op de grond in een worsteling zijn beland. De verdachte heeft aangever tijdens dit gevecht negen keer (in borst en rug) gestoken met een uitklapbaar zakmes dat hij bij zich had en aangever heeft de verdachte in zijn gezicht gespoten met pepperspray. De verklaringen van de verdachte en aangever [slachtoffer] lopen uiteen met betrekking tot de vraag wie als eerste geweld heeft gebruikt. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte wisselend verklaard over het moment waarop hij door de aangever met de pepperspray zou zijn aangevallen, tegen welke aanval hij zegt zich te hebben moeten, verdedigen. In de eerste plaats heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] de pepperspray direct in zijn gezicht spoot toen de verdachte zich omdraaide en hij op ongeveer twee meter van [slachtoffer] afstond (pag. 37 en ter zitting bij de rechtbank). In zijn eigen aangifte verklaart hij evenwel dat hij zich op dat moment omdraaide, naar [slachtoffer] toeliep en hem tot dichtbij was genaderd, toen hij werd bespoten met de pepperspray (pag. 47 en ook ter zitting bij het hof). Ook heeft de verdachte geen duidelijkheid kunnen of willen geven over hoe vaak hij [slachtoffer] heeft gestoken, anders dan dat hij weet dat hij één of twee keer heeft gestoken en dat zijn herinneringen vanaf dat moment weg zijn. De verdachte meent niet meer te hebben gestoken toen hij op de grond lag (p. 38), maar [slachtoffer] heeft vijf steekverwondingen in zijn rug en daarvoor kan de verdachte geen verklaring geven. Dat geldt ook voor twee steekverwondingen in de borst.
Verder schept de verklaring van de verdachte geen helderheid over wat er precies zou zijn gebeurd nadat, in de lezing van de verdachte, hij zich had omgedraaid en [slachtoffer] hem (direct) in zijn gezicht had gepepperd. Volgens de verdachte heeft hij zijn mes gepakt en uitgeklapt en ontstond er vervolgens een worsteling, maar in zijn verklaring geeft hij geen antwoord op de vraag hoe de worsteling is ontstaan, dus wie de fysieke toenadering zocht en wie de ander aanviel. Het hof merkt in dat kader op dat de verdachte heeft verklaard dat hij door de pepperspray niets meer kon horen en zien. Het komt het hof onaannemelijk voor dat [slachtoffer] , die zich op dat moment op korte afstand van de verdachte bevond, heeft laten gebeuren dat de verdachte zijn mes pakte en uitklapte, althans niet heeft ingegrepen of is weggevlucht en zich vervolgens in een daaropvolgende worsteling negen keer heeft laten steken, terwijl de verdachte door de pepperspray in feite was uitgeschakeld.
[slachtoffer] op zijn beurt heeft uitvoerig en in de kern gedetailleerd en consistent verklaard over de opeenvolgende gebeurtenissen, waarbij hij ook duidelijk verklaart over zijn eigen rol en het geweld dat hij heeft toegepast. De door de verdediging naar voren gebrachte discrepanties in de verklaringen van [slachtoffer] doen geen afbreuk aan de kern van zijn verklaringen. Hierbij wordt ook opgemerkt dat aangever [slachtoffer] door toedoen van het steken door verdachte op de intensive care is opgenomen en er medisch slecht aan toe was. Dat de onder die omstandigheden door aangever [slachtoffer] afgelegde verklaringen op minder cruciale punten uiteenlopen (zoals de wijze waarop de verdachte tijdens de worsteling op de grond is terechtgekomen) acht het hof niet onbegrijpelijk en daarmee van ondergeschikt belang.
Het hof acht het op grond van het voorgaande aannemelijker dat het is gegaan zoals [slachtoffer] heeft verklaard, namelijk dat de verdachte [slachtoffer] heeft aangevallen met het mes, [slachtoffer] zich vervolgens heeft verdedigd met de pepperspray en de verdachte op de grond heeft gewerkt om de aanval van de verdachte te doen stoppen en het mes afhandig te maken, [slachtoffer] vervolgens boven op de verdachte op de grond lag, waarna [slachtoffer] fysiek de overhand had maar niet bij het mes kon en de verdachte hem tijdens die worsteling nog meerdere keren in de rug heeft gestoken. De negen steekwonden bij [slachtoffer] , waarvan vijf in de rug, corresponderen met die verklaring.
Het hof betrekt bij zijn weging van de verklaringen ook dat zowel [slachtoffer] als de verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer] tijdens de worsteling op de grond tegen de verdachte heeft gezegd dat hij hem zou laten gaan als de verdachte het mes zou afgeven, hetgeen de verdachte uiteindelijk ook heeft gedaan. [slachtoffer] heeft de verdachte vervolgens niet gestoken, maar hem laten gaan en het mes zelf mee naar huis genomen en even later aan de politie overhandigd. Ook deze gang van zaken past naar het oordeel van het hof beter bij de door [slachtoffer] beschreven toedracht dan de door de verdachte beschreven toedracht.
Het bovenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd brengt het hof tot het oordeel dat de door en namens de verdachte aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. De gedragingen van de verdachte moeten - naar de kern bezien - als aanvallend worden aangemerkt. Het hof verwerpt om die reden het beroep op noodweer.
Noodweerexces
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

De bespreking van het middel

13. Bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) rijst de vraag of de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt “
gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk[zijn]
geworden”. [2] De beoordeling van de aannemelijkheid van de feitelijke grondslag van excepties als noodweer vergt van het hof een selectie en waardering van vaststaande feiten en omstandigheden. Een en ander is feitelijk van aard en daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar. [3]
14. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom het de feiten en omstandigheden waarop de verdachte zich heeft beroepen niet aannemelijk geworden acht. Het hof acht de verklaringen van de aangever betrouwbaarder dan de verklaringen van de verdachte. Het hof is dan ook bij het beantwoorden van de vraag of de verdachte eerst pepperspray in zijn gezicht kreeg gespoten en pas in reactie daarop met een mes heeft gestoken, niet uitgegaan van de verklaring van de verdachte daarover, maar van de verklaring van de aangever. Die heeft verklaard dat hij pas pepperspray gebruikte nádat hij met een mes werd aangevallen. Deze chronologie is voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) “
de kern en essentie”, aldus de steller van het middel.
15. Het hof heeft bij de verwerping van het beroep op noodweer(exces) betrokken dat de verklaring van de verdachte geen helderheid schept over wat er precies zou zijn gebeurd nadat hij zich had omgedraaid en (naar zijn zeggen) direct door de aangever met pepperspray in zijn gezicht zou zijn gespoten. De verdachte heeft geen antwoord gegeven op de vraag hoe de worsteling is ontstaan, terwijl de verdachte bovendien geen duidelijkheid heeft kunnen of willen geven over hoe vaak hij [slachtoffer] heeft gestoken. Ik meen dat het hof een en ander mocht betrekken bij zijn beantwoording van de vraag of de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer(exces) berust voldoende aannemelijk zijn geworden. [4]
16. De vaststelling dat de verdachte ‘wisselend’ heeft verklaard, acht ik niet onbegrijpelijk. De steller van het middel betwist deze vaststelling met een beroep op verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. De verklaring die de verdachte op 27 december 2019 bij de politie heeft afgelegd houdt echter niet in dat hij
directnadat hij zich had omgedraaid met pepperspray in het gezicht werd gespoten. [5] De verwijzing door het hof naar deze verklaring steunt de vaststelling dat de verdachte ‘wisselend’ heeft verklaard. Ter zitting van de rechtbank heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij op het moment dat hij zich omdraaide nattigheid in zijn gezicht voelde dat begon te bijten. [6] In zijn aangifte en ter zitting van het hof heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij (nadat hij zich had omgedraaid) op de aangever is afgelopen en
toenpepperspray in zijn gezicht kreeg gespoten.
17. In zoverre faalt het middel.
18. Dan de klacht dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de toedracht waarover de verdachte heeft verklaard aannemelijk is en het “
niet anders kan zijn dat hij zelf is aangevallen en zich enorm in het nauw gedreven voelde en dit voldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring” van de verdachte opleverde.
19. De ter zitting van het hof van 2 april 2024 overgelegde pleitnota houdt hierover het volgende in:

Allereerst is van belang dat een dergelijke geweldsexplosie in het geheel niet bij cliënt en bij zijn karakter past. Cliënt is nog nooit met politie en justitie in aanraking gekomen en gesteld kan dus ook worden dat cliënt absoluut niet gewelddadig is. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van zijn echtgenote [betrokkene 1] . Zij zijn al erg lang gehuwd en zij zijn, zoals cliënt ook heeft verklaard, mede door zijn handicap, zeer goed op elkaar ingespeeld. [betrokkene 1] kent cliënt dus door en door en zij verklaart het navolgende over hetgeen gebeurd is: ‘Hij zou dit niet uit zichzelf doen, hij moet zich heel erg in het nauw gedreven moeten hebben gevoeld, anders doet hij zoiets niet.
’ Daarnaast verklaart zij ook: ‘Als hij met zijn aandoening pepperspray in zijn gezicht krijgt, snap ik dat hij in paniek is geraakt. Dit moet een wanhoopsdaad zijn geweest van mijn man.
' De verdediging is van mening dat dit een zeer betrouwbare verklaring betreft, te meer nu [betrokkene 1] ook verklaart dat cliënt boos kan worden en een kort lontje kan hebben.
Het rapport van de psycholoog bevestigt ook dit beeld van cliënt en zijn karakter. Ook uit dit rapport blijkt immers dat cliënt niet gewelddadig is, er doorgaans sprake is van zelfcontrole en er geen sprake is van instabiliteit. Ook wordt het recidiverisico als laag ingeschat en wordt nog aangegeven dat cliënt geen geschiedenis met geweld heeft en geen gewelddadige opvattingen heeft.
(…)
Gelet op het clean strafblad van cliënt, gelet op het feit dat ook de psycholoog geen aanwijzingen ziet dat cliënt gewelddadig zou zijn en gelet op de verklaring van zijn echtgenote die expliciet verklaart dat het, uitgaande van het karakter van cliënt niet anders kan dan dat hij zelf is aangevallen en zich enorm in het nauw gedreven voelde, stelt de verdediging zich op het standpunt dat dit voldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring van cliënt is en derhalve de visie van cliënt gevolgd dient te worden.
20. De verklaring van de echtgenote van de verdachte heeft in feite betrekking op de aannemelijkheid van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte en zou een beroep op noodweerexces kunnen ondersteunen. Aan dit beroep kwam het hof niet toe omdat het hof het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk heeft geacht. Daarom was het hof niet gehouden in te gaan op de verklaring van de echtgenote waarop in cassatie een beroep wordt gedaan.
21. Het rapport van de psycholoog is in de pleitnota aangehaald ter ondersteuning van de verklaring van de verdachte en het standpunt dat diens weergave van de feiten en omstandigheden moet worden gevolgd. Het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het niet uitgaat van de verklaring van de verdachte maar van die van de aangever. Daarmee heeft het hof voldoende gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt waaraan het psychologisch rapport mede ten grondslag is gelegd. Het hof was gelet op de uitvoerige motivering niet gehouden daarbij ook afzonderlijk in te gaan op het rapport van de psycholoog.
22. Het middel faalt in alle onderdelen.

Het tweede middel

23. Het tweede middel klaagt over de begrijpelijkheid van de strafoplegging en de strafmotivering. Als eerste klacht wordt aangevoerd (i) dat het hof in de uitspraak niet heeft vermeld welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De tweede en derde klacht gaat uit van het tegengestelde, namelijk dat het hof in zijn uitspraak wél de straf heeft vermeld die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, maar voert daartegen aan dat het hof daarbij een straf heeft vermeld die wettelijk niet opgelegd kan worden waardoor (ii)
de factogeen sprake is van strafvermindering of (iii) de strafvermindering niet op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
24. Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het feit alsmede de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren in beginsel gerechtvaardigd is.
(…)
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte op 27 februari 2019[27 december 2019] [7] in verzekering is gesteld en voor het eerst door de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 22 februari 2023 - en dus niet binnen het uitgangspunt van 2 jaren - vonnis gewezen. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van het vonnis - door de rechtbank bedraagt ongeveer 38 maanden. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 6 maanden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
25. Hieruit blijkt dat het hof heeft overwogen dat een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, in beginsel passend en geboden is en dat het de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met zes maanden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Daarmee heeft het hof de straf vermeld die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden zodat de eerste klacht (i) faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
26. Inderdaad is het hof met een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, in combinatie met een voorwaardelijk deel van twee jaar, uitgegaan van een straf die onverenigbaar is met artikel 14a lid 2 Sr, omdat daarin is bepaald dat een voorwaardelijk gedeelte van ten hoogste twee jaar (uitsluitend) kan worden gecombineerd met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar in totaal. De klacht (ii) dat daardoor
de factogeen sprake is van strafvermindering kan ik echter niet volgen, ten eerste niet als ik de maximumgevangenisstraf van vier jaren en zes maanden die zou zijn opgelegd vergelijk met de maximumgevangenisstraf van vier jaren die het hof daadwerkelijk heeft opgelegd en ten tweede niet als ik het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraffen met elkaar vergelijk. Het hof heeft overwogen dat het een gevangenisstraf zou hebben opgelegd die neerkomt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden en heeft een gevangenisstraf opgelegd die neerkomt op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.
27. Ook de klacht (iii) dat de strafvermindering niet op begrijpelijkheid kan worden getoetst doordat het hof is uitgegaan van een straf die het niet had mogen opleggen, faalt. Ik stel hierbij voorop dat in cassatie de toets van de daadwerkelijk opgelegde gevangenisstraf aan de orde is en dat tegen het opleggen van die straf geen bezwaren worden aangevoerd. Ook wordt terecht niet betwist dat de daadwerkelijk opgelegde gevangenisstraf minder hoog is dan de gevangenisstraf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Verder wijs ik erop dat ter terechtzitting van het hof namens de verdachte, die door een raadsman werd bijgestaan, geen verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dus als gevolg van het tijdsverloop vóór het arrest van het hof. [8] Daarmee is niet gezegd dat de verdachte niet in cassatie kan klagen over de motivering van de gevolgen die het hof verbindt aan het overschrijden van de redelijke termijn want ook een onverplicht gegeven motivering moet begrijpelijk zijn. Daarmee zeg ik wel dat de motivering minder snel onbegrijpelijk zal zijn als de verdachte geen verweer heeft gevoerd.
28. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

29. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, r.o. 2.3.3. Zie ook HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.
3.Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, r.o. 3.7.
4.Vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, r.o. 2.3.2.
5.Dit is de verklaring weergegeven op p. 37 waarnaar in de schriftuur wordt verwezen.
6.Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Roermond van 8 februari 2023, p. 2.
7.Het bewezen verklaarde feit is begaan op 26 december 2019.
8.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (