Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verhoor getuige d.d. 12 mei 2021, opgenomen op pagina 22 en volgende van het dossier van Politie Oost-Nederland, onderzoek Kapitein / ONRBC21446 met documentcode 2107191100.AMB d.d. 3 augustus 2021, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Standpunt van het openbaar ministerie
misbruikals zodanig steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van de aangeefster of aangever op onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. [5] Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag dan geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. [6] Verder kan uit die rechtspraak worden afgeleid dat verklaringen van derden die in de kern neerkomen op een hervertelling (
de auditu-verklaring) van hetgeen de aangeefster of aangever aan hen heeft verteld niet als steunbewijs kunnen worden aangemerkt. [7] Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [8]
het feit daten
het moment waaropzij daarover heeft verteld. Blijkens de voor het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster heeft zij verklaard dat haar moeder en de verdachte 5 à 6 jaar een relatie hebben gehad en dat haar moeder in mei, juni of juli 2020 bij [verdachte] is weggegaan. Daaruit leid ik af dat die relatie rond 2015 is begonnen, toen de aangeefster ongeveer tien jaar oud was. Naar aanleiding van de vraag wanneer het is geweest dat er “dingen (zijn) gebeurd tussen [verdachte] en jou” heeft de aangeefster verklaard dat ze toen ze een jaar of tien of elf jaar was met hem naar de bouwmarkt ging, ze dan samen in de auto zaten en hij haar dan seksfilmpjes liet zien van zo’n pornosite, hetgeen ze tegen onder andere haar nicht zou hebben gezegd. Vervolgens verklaart ze over de ontuchtige handelingen die zijn gebeurd toen ze elf of twaalf jaar was. Het hof heeft uit deze beantwoording van de vraag – mijns inziens niet onbegrijpelijk – afgeleid dat aangeefster het tonen van een seksfilmpje markeert als het begin van de ontucht. Als bewijsmiddel 3 heeft het hof gebezigd de verklaring van [getuige 1] , een nichtje van de aangeefster. Zij verklaart dat de aangeefster haar heeft verteld dat de verdachte haar (meermalen) seksfilmpjes liet zien. De tante van de aangeefster verklaart dat de aangeefster dit vertelde toen [moeder slachtoffer] (de moeder van de aangeefster) net in het begin een relatie met [verdachte] kreeg (bewijsmiddel 2). Dat het hof hierin bevestigd heeft gezien dat de aangeefster destijds tegen haar nicht over de seksfilmpjes heeft verteld, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Dat geldt ook voor de gevolgtrekking van het hof dat dit de context van de verklaringen van de aangeefster over (het begin van) de ontucht bevestigt.
3.Het tweede middel
Omvang van het hoger beroep
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: