ECLI:NL:PHR:2026:689

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/01146
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 341 lid 3 SvArt. 311 lid 4 SvArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling rechtspersoon voor medeplegen witwassen met matiging geldboete wegens termijnoverschrijding

De verdachte, een besloten vennootschap, werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen met betrekking tot de aankoop en exploitatie van een nachtclub, waarvan de opbrengsten uit misdrijf afkomstig waren. Het hof legde een geldboete van €50.000 op en verklaarde meerdere voorwerpen verbeurd. De verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak met drie middelen.

De eerste klacht betrof het vermeende gebrek aan onderscheid door het hof tussen het optreden van een medeverdachte als natuurlijk persoon en als vertegenwoordiger van de rechtspersoon, wat volgens de verdediging tot onrechtmatig bewijsgebruik zou leiden. Dit middel faalde omdat het hof dit onderscheid wel degelijk had gemaakt. De tweede klacht richtte zich op het oordeel van het hof over de criminele herkomst van de gelden en het causale verband met het witwassen, welke eveneens werd verworpen.

De derde klacht betrof de berekening en motivering van de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende inzicht had gegeven in de termijnoverschrijding en dat de overschrijding tot strafvermindering moest leiden. De geldboete werd ambtshalve gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Alle middelen faalden, behalve dat de geldboete werd verminderd.

Uitkomst: Veroordeling rechtspersoon voor medeplegen witwassen bevestigd, geldboete verminderd wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01146
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-000007-21) [1] wegens het “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00. Voorts heeft het hof meerdere voorwerpen verbeurdverklaard, heeft het ten aanzien van een in beslag genomen vordering de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast en heeft het de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01170. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Samenvatting

2.1
De [betrokkene 1] , medeverdachte in zaak 24/01170, is indirect bestuurder en aandeelhouder van de [verdachte] B.V. In 1999 heeft [betrokkene 1] met de verdachte de nachtclub [A] (de goodwill, activa en intellectuele-eigendomsrechten) overgenomen van de [betrokkene 2] en diens besloten vennootschap. In eerste instantie werden de panden waarin de nachtclub was gevestigd gehuurd. In 2002 zijn deze door [betrokkene 1] en de verdachte gekocht. Het hof heeft vastgesteld dat behalve [betrokkene 1] en de verdachte ook de [betrokkene 3] voor de helft eigenaar is geworden van [A] , maar dat de verdachte dit verborgen heeft gehouden.
2.2
Het hof heeft ook vastgesteld dat [A] uit misdrijf afkomstig was. Daarbij heeft het hof betrokken dat [betrokkene 2] in 1999 werd bedreigd door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Een van de vraagpunten die aan het hof werden voorgelegd, was of deze bedreiging een afpersing was, gericht op de overdracht van [A] door [betrokkene 2] en dat daardoor kon worden gezegd dat [A] door de verdachten door misdrijf was verkregen. Het hof heeft echter uiteindelijk in het midden gelaten of sprake was van een rechtstreekse (onmiddellijke) verkrijging uit een afpersing. Wel heeft het hof geoordeeld dat [A] via een tussenstap (middellijk) afkomstig was uit een misdrijf. Voor de overdracht zou [betrokkene 3] namelijk crimineel geld en illegale goederen hebben betaald aan [betrokkene 2] (1 miljoen gulden) en aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (500.000 gulden en 400 kg hasj).
2.3
Het hof heeft dan ook bewezenverklaard dat de verdachte samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 3] [A] heeft witgewassen, dat wil zeggen handelingen heeft verricht met een voorwerp dat (middellijk of onmiddellijk) uit misdrijf afkomstig is. Het tweede middel richt zich tegen dit oordeel, net als het tweede middel in de zaak 24/01170 van medeverdachte [betrokkene 1] . Ten eerste wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de door [betrokkene 3] betaalde gelden een criminele herkomst hebben. Door dit oordeel zou het hof ten onrechte van [betrokkene 1] hebben verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van dit geld. Dit lees ik echter niet in het arrest en een dergelijke verklaring was ook niet nodig voor het oordeel van het hof. Als tweede wordt, in de kern, aangevoerd dat de betaling aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] er niet toe kan leiden dat [A] door misdrijf is verkregen, omdat zij niet betrokken waren bij de koop. Dit is de vraag naar het causale verband tussen een misdrijf en het ‘voorwerp’ [A] dat rechtstreeks of door een tussenstap door dit misdrijf is voortgebracht. Het hof heeft naar mijn mening kunnen oordelen dat de betaling aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] noodzakelijk was voor de verkrijging van [A] . Daarmee is er een voldoende sterk causaal verband en faalt dit tweede middel op dezelfde gronden als in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] .
2.4
Het eerste middel komt er, net als het eerste middel in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1] , op neer dat het hof op de zitting onvoldoende oog heeft gehad voor het onderscheid tussen het optreden van [betrokkene 1] als verdachte in zijn eigen zaak en als vertegenwoordiger van de [verdachte] B.V. Het middel faalt omdat het hof dit wel degelijk heeft gedaan.
2.5
Het derde middel gaat over de strafoplegging en klaagt over het oordeel van het hof over de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Deze klacht faalt. Ambtshalve merk ik tot slot op dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in cassatie en dat dit dient te leiden tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak 24/01170 van medeverdachte [betrokkene 1] en houdt in dat het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de hoedanigheid van de [betrokkene 1] als verdachte natuurlijk persoon enerzijds en zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon [verdachte] B.V. anderzijds en de ter terechtzitting afgelegde verklaring heeft aangemerkt als een verklaring van de [betrokkene 1] in beide hoedanigheden. Daarmee heeft het hof de verklaring in strijd met art. 341 lid 3 Sv Pro voor het bewijs gebruikt. Daarnaast is het in art. 311 lid 4 Sv Pro neergelegde recht op het laatste woord geschonden, nu uit het proces-verbaal ter terechtzitting niet blijkt of aan de [betrokkene 1] als verdachte natuurlijk persoon dan wel als vertegenwoordiger van de rechtspersoon [verdachte] B.V. de gelegenheid is geboden het laatste woord te voeren.
3.2
Het middel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak 24/01170 onder 5.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel is eveneens gelijkluidend aan het tweede middel in de samenhangende strafzaak 24/01170. Het middel bevat, kort gezegd, de klacht dat de bewezenverklaring [2] niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4.2
Ook dit middel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak 24/01170 onder 3.6-3.25.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel houdt in dat het hof bij het oordeel over de (overschrijding van de) redelijke termijn in feitelijke aanleg niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het tot de gemaakte berekening van de overschrijding is gekomen, althans niet inzichtelijk heeft gemaakt wanneer de redelijke termijn is aangevangen, althans is het oordeel van het hof omtrent de (overschrijding van de) redelijke termijn in feitelijke aanleg niet naar de eis der wet met redenen omkleed nu het eerste verhoor van de (indirect) bestuurder van de verdachte heeft plaatsgevonden in 2005. [3]
5.2
Voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, houdt het arrest van het hof het volgende in:

Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heelt de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 50.000.00.
De raadsman heeft gewezen op de ouderdom van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Hij heeft op grond hiervan aangevoerd dat de enige juiste beslissing in deze een schuldigverklaring zonder oplegging van straf is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan omdat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Daarnaast faciliteert witwassen andere strafbare feiten. De gang van zaken rond de aankoop en het bezit van [A] is een schoolvoorbeeld van hoe uit misdrijf verkregen gelden en goederen het legale economische verkeer binnenkomen en dat ontregelen. Ten onrechte wordt daarmee het beeld gecreëerd dat misdaad kan lonen. Het gaat om ernstige feiten.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2024 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof zal dit in het voordeel van de verdachte bij het bepalen van de op te leggen straf meewegen.
Een schuldigverklaring zonder oplegging van de straf is, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, niet aan de orde.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een geldboete van € 250.000,00 passend.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat een ieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 EVRM Pro neergelegde waarborg strekt er in strafzaken toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij behandeling van deze zaak in eerste aanleg met ruim 28 maanden en in hoger beroep met ruim 14 maanden is overschreden. Dit zal tot strafvermindering moeten leiden. Het hof zal daarom de op te leggen geldboete – mede in combinatie met de ouderdom van het bewezenverklaarde en gelet op de hierna uit te spreken verbeurdverklaring van waardevolle panden – in die zin matigen dat deze € 50.000,00 zal bedragen, welke straf het hof geboden acht. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zoals door de raadsman bepleit, ziet het hof geen aanleiding.”
5.3
Verder vermeldt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024 het volgende:
“Als verdachte en tevens als vertegenwoordiger van als verdachte opgeroepen rechtspersoon:
de besloten vennootschap [verdachte] ,
gevestigd op het adres: [a-straat 1] , [postcode] te [vestigingsplaats] ,
is ter terechtzitting verschenen de navolgende persoon die antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn:
[betrokkene 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
adres: [a-straat 1] , [postcode] te [vestigingsplaats] .
De verdachte deelt mede dat hij enig (indirect) aandeelhouder en statutair bestuurder is van de besloten vennootschap [verdachte] en als zodanig bevoegd om deze ter terechtzitting in rechte te vertegenwoordigen.
(…)
Na hervatting van het onderzoek gaat de voorzitter over op de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte:
De verdachte verklaart als volgt:
Ik woon nog steeds op de [a-straat] . Op dit moment ben ik gepensioneerd en ik kan rondkomen van mijn pensioen. Privé heb ik niet zoveel schulden, zakelijk gezien wel, met name advocaatkosten. Ik ben getrouwd en ik woon samen met mijn vrouw in een huurhuis. Mijn vrouw is nog steeds ziek: ze heeft kanker en als dit uitzaait is het klaar. Het is terminaal. De afgelopen 14 jaren heb ik het gevoel gehad dat ik in een gevangenis zit. Ik heb last van deze zaak en het is drama met de gezondheid van mijn vrouw. Ik heb hiervoor geen hulp gezocht en ik moet het zelf oplossen.
(…)
De raadsman van de verdachte voert daarop het woord tot verdediging aan de hand van zijn schriftelijke pleitnotities. (…).
(…).
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij zegt te ervaren dat hij al jaren in de cel zit, dat het hem teveel is geworden en dat het nu eens afgelopen moet zijn.”
5.4
De door de raadsman overgelegde pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van deze deelklacht van belang, het volgende in:

V. VERVOLGING IS IN DIT GEVAL, ZELFS WANNEER ER SPRAKE IS VAN WITWASSEN, NIET MEER MOGELIJK, DAN WEL ER KAN GEEN STRAF MEER WORDEN OPGELEGD WEGENS EEN GROVE OVERSCHRIJDING VAN DE REDELIJKE TERMIJN
In de onderhavige zaak is, zoals ook de rechtbank overwoog in de andere zaak inzake [B] (een oude zaak die voor [betrokkene 1] tegelijkertijd speelde met de [A] -zaak) sprake van een grove overschrijding van de redelijke termijn. Hierdoor zijn [betrokkene 1] en [verdachte] onnodig lang in onzekerheid gebleven over de uitkomst van hun strafzaak. Als uitgangspunt geldt echter dat er binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn moet zijn beslist.
Volgens de rechtbank is de redelijke termijn in de [B] -zaak - en dat geldt dan ook voor de onderhavige zaak - ingegaan op 4 augustus 2016. De rechtbank had dan op uiterlijk 4 augustus 2019 uitspraak moeten doen, maar heeft in beide zaken pas op 18 december 2020 uitspraak kunnen doen. Hierdoor is de redelijke termijn met meer dan twee jaar overschreden.
Voor de rechtbank was dat voldoende om in de [B] -zaak geen gevangenisstraf op te leggen maar een schuldigverklaring met een taakstraf van 100 uur.
In de [A] -zaak is de onzekerheid blijven voortbestaan, doordat op 31-12-2020 het OM beroep tegen het vonnis van de rechtbank heeft aangetekend. Dat hoger beroep wordt nu op 5-2-2024, derhalve meer dan 3 jaar en ruim een maand, behandeld. Dat was overigens mogelijk, omdat [betrokkene 1] en [verdachte] meegewerkt hebben aan het afzien van een regiezitting. Wanneer de uitspraak in de hoger beroepszaak er is, is niet bekend, maar - uitgaande van de datum van deze zitting - er is nu al ruim 7 jaar en 4 maanden verstreken na het uitbrengen van de dagvaarding. Het betreft ook nog eens een oude zaak, en wel één uit 1999, het aankoopjaar van [A] . Dat is dus ruim 23 jaar geleden.
[betrokkene 1] en [verdachte] zijn daarom van oordeel dat, gelet op deze zeer lange termijn van onzekerheid die door [betrokkene 1] op zijn leeftijd als slopend wordt ervaren, eigenlijk ontslag van rechtsvervolging moet volgen [handgeschreven toevoeging: ik bedoel OM n-o in vervolging; MvW], alhoewel dat niet gebruikelijk is maar in gevallen van zeer onredelijke overschrijding - zoals in het onderhavige geval - wel in bepaalde gevallen verleend is.
In ieder geval zal naar het oordeel van [betrokkene 1] en [verdachte] in een dergelijk geval de enige juiste beslissing schuldigverklaring zonder oplegging van straf moeten zijn. Wat [betrokkene 1] betreft is ook een strafverminderende omstandigheid dat hij inmiddels 77 jaar is en te maken heeft met een vrouw, die zijn aandacht en verzorging nodig heeft vanwege een niet-behandelbare vorm van kanker.”
5.5
Het hof heeft overwogen dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 28 maanden en in hoger beroep met ruim 14 maanden is overschreden. Voor wat betreft de redelijke termijn in hoger beroep ga ik ervan uit dat deze overschrijding van ruim 14 maanden is berekend aan de hand van de periode tussen het instellen van het hoger beroep op 31 december 2020 en het wijzen van het arrest door het hof op 18 maart 2024. [4] Rekening houdend met een redelijke termijn van twee jaar per instantie is in een dergelijk geval sprake van een overschrijding van ruim 14 maanden. Voor wat betreft de redelijke termijn in eerste aanleg gaat het hof uit van een overschrijding van ruim 28 maanden. Het vonnis in deze zaak is gewezen op 18 december 2020. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar en een overschrijding daarvan van 28 maanden, moet het aanvangsmoment van de redelijke termijn zijn gelegen in augustus 2016. De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleitnotities gewezen op een aanvangsmoment van de redelijke termijn op 4 augustus 2016, te weten de datum waarop de dagvaarding is betekend. Gelet op deze omstandigheden is het door het hof in aanmerking genomen aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg mijns inziens voldoende inzichtelijk.
5.6
Voor zover de steller van het middel aanvoert dat het oordeel van het hof omtrent de (overschrijding van de) redelijke termijn in feitelijke aanleg niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu het eerste verhoor van [betrokkene 1] als indirect bestuurder van de verdachte heeft plaatsgevonden in 2005 en een verdachtenverhoor in zijn algemeenheid het moment is waaraan een verdachte de verwachting mag ontlenen (verder) in rechte te worden betrokken, merk ik het volgende op. Het oordeel van de feitenrechter over de (overschrijding van de) redelijke termijn in feitelijke aanleg kan door de Hoge Raad “slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter”. [5] Verder is van belang dat de feitenrechter in zijn uitspraak enkel behoeft te doen blijken van onderzoek naar de overschrijding van de redelijke termijn als ter terechtzitting door of namens de verdachte daarover verweer is gevoerd [6] en dat in cassatie bovendien niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg in geval de zaak in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en een dergelijk verweer niet is gevoerd. [7]
5.7
Uit dit samenstel aan overwegingen leid ik af dat, nu de raadsman van de verdachte bij pleidooi heeft gewezen op een door de rechtbank in aanmerking genomen aanvangsmoment van de redelijke termijn in de [B] zaak welke ook voor onderhavige zaak zou gelden en de rechtbank in de samenhangende strafzaak tegen [betrokkene 1] een aanvangsmoment voor de redelijke termijn in eerste aanleg heeft bepaald, het in een dergelijk geval aan de verdachte en/of haar raadsman is daar in het bijzonder verweer op te voeren in hoger beroep en dat pas na het voeren van een dergelijk verweer van het hof kan worden verlangd daarop gemotiveerd te beslissen. [8] Nu namens de verdachte bij pleidooi enkel naar voren is gebracht dat sprake is van een grove overschrijding van de redelijke termijn, dat volgens de rechtbank de redelijke termijn in eerste aanleg in de [B] -zaak is aangevangen op 4 augustus 2016, dat dit ook geldt voor onderhavige zaak en dat verder sprake is van een oude zaak (te weten uit 1999, het aankoopjaar van [A] ) en in aanmerking genomen dat voor wat betreft die aanvangsdatum van de redelijke termijn niet het standpunt is ingenomen dat een eerder aanvangsmoment zou moeten worden gehanteerd, acht ik het (impliciete) oordeel van het hof omtrent de (aanvangsdatum van de) redelijke termijn in eerste aanleg niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof in de gegeven omstandigheden niet gehouden.
5.8
Het middel faalt.

6.Afronding

6.1
Alle middelen falen. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Voor het tweede middel ligt een dergelijke afdoeningswijze niet voor de hand. [9]
6.2
Ambtshalve merk ik op dat van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in cassatie sprake is, omdat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 26 maart 2024. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete.
6.3
Ambtshalve heb ik verder geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.De bewezenverklaring in onderhavige zaak betreft, en is identiek aan, de bewezenverklaring van feit 1 in de samenhangende zaak.
3.In de schriftuur brengt de steller ook de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase onder de aandacht. Een afzonderlijke klacht lees ik daarin niet.
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.16.
5.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.7.
6.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.8.
7.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.9.
8.Zie voor situaties waarin het hof dit ondanks een dergelijk verweer had nagelaten o.a. HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:844 en HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:283.
9.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.