ECLI:NL:PHR:2026:697

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
25/01229
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 75 SvArt. 80 lid 1 SvArt. 82 SvArt. 86 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen poging uitlokking moord en brandstichting bij woningaanslag

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot uitlokking van moord en medeplegen van poging tot brandstichting of ontploffing met levensgevaar bij een woningaanslag in Hedel. De aanslag was onderdeel van een reeks woningaanslagen in het kader van een langdurige poging tot afpersing van een fruitbedrijf.

Het hof stelde vast dat verdachte, terwijl hij in voorlopige hechtenis zat, bekenden probeerde te bewegen een woningaanslag te plegen door het verstrekken van adressen en het toezeggen van geldelijke beloningen. Uit telefoongesprekken bleek dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de aanslag dodelijke gevolgen kon hebben, waarmee sprake was van medeplegen van uitlokking van moord en brandstichting.

De verdediging voerde onder meer aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood, en dat de strafoplegging onbegrijpelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht tot zijn bewijs- en strafmotivering is gekomen en dat de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar passend is.

Ook het bevel tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt niet verder behandeld wegens gebrek aan belang. Ten slotte bevestigt de Hoge Raad de toekenning van smartengeld aan de benadeelde partijen wegens de ernstige normschending en de psychische impact van de aanslagenreeks.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot drie jaar gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot uitlokking van moord en brandstichting bij een woningaanslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01229
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens "de eendaadse samenloop van medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het begaan van moord en medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het begaan van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarbij de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.1
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 5] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.2
Namens de verdachte heeft P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte, terwijl hij zich in voorlopige hechtenis bevond voor een ander strafbaar feit, heeft geprobeerd bekenden die op vrije voeten waren een woningaanslag in [plaats] te laten plegen. Volgens het hof was de verdachte daarvoor benaderd door de afperser van (de directie van) het fruitbedrijf, die op dezelfde plek was gedetineerd.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel richt zich tegen het (impliciet cumulatief) bewezenverklaarde medeplegen van de poging tot uitlokking van moord en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de (poging tot) moord.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 april 2021 tot en met 2 mei 2021 in [plaats] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om misdrijven te weten: moord op de bewoner(s) van een woning aan [a-straat 1] te [plaats] en opzettelijke brandstichting en/of opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in een woning (perceel [a-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten te begaan, opzettelijk
het adres " [a-straat 1] " en/of " [plaats] " aan die [betrokkene 2] heeft doorgegeven of heeft laten doorgeven en/of
-
een geldbedrag aan die [betrokkene 2] als beloning voor het plegen van voornoemde misdrijven in het vooruitzicht heeft gesteld of heeft laten stellen en
-
die [betrokkene 2] op dwingende wijze hebben gezegd of laten zeggen dit feit te plegen en/of
-
instructies heeft gegeven of laten geven aan die [betrokkene 2] over hoe dit feit uitgevoerd zou moeten worden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, te weten de uitlokking, niet is voltooid.”
3.3
Het hof heeft in zijn arrest overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.3.1. 2 mei 2021: incident in [plaats]
Op 2 mei 2021 heeft zich ‘s nachts een incident voorgedaan bij de woning van [aangever] op het adres [a-straat 1] in [plaats] . De aangever heeft op camerabeelden waargenomen dat omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur bij de voordeur gooide en dat omstreeks 01.25 uur diezelfde man iets gooide tegen een woningraam. Dat laatste heeft geleid tot krassen op dat raam. De politie heeft op camerabeelden van [aangever] waargenomen dat op 2 mei 2021 omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur boven de deur gooide en dat daarbij een klap hoorbaar was. Nadat de man was weggerend, gooide om 01.25 uur een man met hetzelfde signalement iets naar de woning.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij de persoon is die zichtbaar is op de camerabeelden en dat hij kiezelstenen naar de woning heeft gegooid. Hij was door [verdachte] gebeld met het oog op dat incident. [verdachte] zat op dat moment vast. [verdachte] had [betrokkene 2] voor de aanslag een geldbedrag beloofd.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het adres aan [a-straat] , waarover onderzoek Panter 3 gaat, heeft verstrekt aan [verdachte] met het verzoek daar (kort gezegd) een aanslag te plegen.
[verdachte] en [medeverdachte 2] waren in de periode van 11 maart 2021 tot 23 september 2021 allebei gedetineerd in PI [plaats] , locatie […] .
[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem een stukje papier gaf waarop hij van [medeverdachte 2] het adres [a-straat 1] moest noteren. Van [medeverdachte 2] moest daar chaos worden gemaakt. Het raam moest kapot en er moest iets naar binnen. [verdachte] heeft daarvoor [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) benaderd.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij met [verdachte] heeft gesproken over het plegen van een aanslag op het adres [a-straat 1] in [plaats] .
2.3.2.
Tussenconclusie
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de volgende tussenconclusie. [medeverdachte 2] heeft in PI […] medegedetineerde [verdachte] benaderd om een aanslag te laten plegen op het adres [a-straat 1] in [plaats] . [verdachte] heeft vervolgens naar aanleiding van die opdracht onder meer gesproken met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Eén van de voorliggende vragen is tot welk misdrijf of tot welke misdrijven [verdachte] geprobeerd heeft [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] uit te lokken. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof onder meer gelet op onderstaande (fragmenten van) telefoongesprekken die [verdachte] vanuit PI […] heeft gevoerd met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
[…]
Het hof leidt uit het voorgaande het volgende af.
Op 20 april 2021 zei [verdachte] tegen [betrokkene 1] dat er een adres was en dat daar iets moest gebeuren, met daarbij aan [betrokkene 1] het verzoek dat uit te voeren in ruil voor geld ('pap'). Op 21 april 2021 verstrekte [verdachte] het adres ( [a-straat 1] ) aan [betrokkene 1] . Tijdens verschillende gesprekken in de periode van 20 tot en met 30 april 2021 bespraken [verdachte] en [betrokkene 1] wat [verdachte] wilde dat op dat adres zou gebeuren. [verdachte] sprak daarbij over het doen breken (‘splash’) van een raam (‘window’) en vervolgens iets naar binnen gooien. Daarbij sprak [verdachte] in verschillende gesprekken over het gebruik van een explosief (‘cobra') of een brandbare stof (benzine). Toen [betrokkene 1] het gebruik van een molotovcocktail (’molo’) voorstelde, reageerde [verdachte] instemmend en voegde [verdachte] daaraan toe dat het het beste is als ’die ding splashja’ (het hof begrijpt: de ruit wordt ingegooid) en ’daarna binnen’ (het hof begrijpt: daarna de molotovcocktail naar binnen wordt gegooid). Daarbij zei [verdachte] op 25 april 2021 tegen [betrokkene 1] dat het hem ( [verdachte] ) niet boeide als het huis (‘osso’) ‘loezoe’. Het hof begrijpt dat dit in de gegeven context betekende dat het [verdachte] niet uitmaakte of de aanslag zou leiden tot verwoesting van de woning.
[verdachte] heeft aanvankelijk [betrokkene 1] benaderd om de opdracht van [medeverdachte 2] uit te voeren. Tijdens het gesprek van 22 april 2021 noemde [betrokkene 1] dat [betrokkene 2] mogelijk mee zou gaan, waarbij het toen nog de insteek was dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] beiden zouden deelnemen aan de uitvoering. In het gesprek van 27 april 2021 verstrekte [betrokkene 1] aan [verdachte] het telefoonnummer van [betrokkene 2] . In het gesprek van 30 april 2021 tussen [verdachte] en [betrokkene 1] zei [verdachte] dat ’hij', een derde dus, vandaag moet gaan. Het hof leidt daaruit af dat het op dat moment de insteek was dat [betrokkene 2] de aanslag zou plegen. Op 1 mei 2021 nam [verdachte] telefonisch contact op met [betrokkene 2] . In dat gesprek benadrukte [verdachte] dat het die dag moest gebeuren. Ook werd gesproken over de financiële beloning voor [betrokkene 2] voor het plegen van de aanslag (‘Je wou drie, toch?'). In dat gesprek werd niet gesproken over de wijze van uitvoering, terwijl niet is gebleken van verder contact tussen [verdachte] en [betrokkene 2] voorafgaand aan het incident van 2 mei 2021. Het hof leidt hieruit af dat ( [verdachte] ervan uitging dat) [betrokkene 2] over de wijze van uitvoering was geïnstrueerd door [betrokkene 1] .
2.3.4.
Rol [verdachte]
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] een poging heeft gedaan om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te bewegen tot het plegen een aanslag op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Om hen tot die woningaanslag te bewegen, heeft [verdachte] onder meer het adres verstrekt waar de aanslag moest plaatsvinden en hen een financiële beloning in het vooruitzicht gesteld voor het uitvoeren van de aanslag. Daarnaast heeft [verdachte] aan [betrokkene 1] instructies gegeven over de wijze waarop de aanslag moest worden uitgevoerd en ging [verdachte] ervan uit dat [betrokkene 1] instructies doorgaf aan [betrokkene 2] .
Samenwerking met [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] (medeplegen)
Het hof concludeert dat verdachte bij de poging om een woningaanslag uit te lokken nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] . Daarbij was [medeverdachte 2] de initiatiefnemer van de aanslag en de wijze waarop die diende plaats te vinden en had [medeverdachte 2] aan verdachte het adres verstrekt met de opdracht daar de aanslag te plegen. De bijdrage van verdachte bestond eruit dat hij één of meer mensen kende die bereid zouden zijn de aanslag te plegen en die hij vanuit de PI kon benaderen en aansturen.
Voor zover de poging tot uitlokking van een woningaanslag erop gericht was dat die zou worden gepleegd door [betrokkene 2] heeft verdachte daarbij nauw en bewust samengewerkt met [betrokkene 1] . Verdachte ontving van [betrokkene 1] het telefoonnummer van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] heeft het adres van de aanslag doorgegeven aan [betrokkene 2] .
Poging tot uitlokking van een misdrijf
De opdracht van [verdachte] strekte ertoe dat een woningraam zou worden ingegooid en dat vervolgens een explosief (‘cobra') of een brandend voorwerp (‘benzine', molotovcocktail) in de woning zou worden gegooid. Naar het oordeel van het hof is daarmee gepoogd om anderen te bewegen tot het begaan van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing waarvan gemeen voor goederen te duchten was. Daarnaast geldt voor een dergelijke woningaanslag dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof is dit ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [verdachte] zich ervan bewust is geweest dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] probeerde te bewegen tot een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig zouden zijn. Dit besef heeft [verdachte] niet weerhouden van de poging om de woningaanslag uit te lokken. Daar komt bij dat [verdachte] tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat het hem niet boeit als het huis ‘loezoe' (het hof begrijpt: verwoest wordt). Het hof leidt uit deze uitspraak af dat [verdachte] er rekening mee hield dat de beoogde woningaanslag verstrekkende gevolgen zou hebben en dat die gevolgen voor [verdachte] geen reden vormden om van (de poging tot uitlokking van) die woningaanslag af te zien. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen van opzettelijke uitlokking van medeplegen van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
In het voorgaande ligt verder besloten dat is geprobeerd een woningaanslag uit te lokken die naar het oordeel van het hof tevens kan worden aangemerkt als een (poging tot) moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof leidt uit het voorgaande namelijk af dat ook is gehandeld met voorbedachte raad. Zowel de uitlokkers als de beoogde uitvoerders hadden immers de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de beoogde woningaanslag en om zich daarvan rekenschap te geven.”
3.4
Volgens de steller van het middel de bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot uitlokking van moord niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daartoe voert hij aan dat uit de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken, in onderlinge samenhang bezien, niet volgt dat de verdachte met het geven van de opdracht om een cobra of molotovcocktail naar binnen te gooien in de woning ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de bewoners. Uit de inhoud van de in het arrest weergegeven gesprekken kan volgens hem immers niet worden afgeleid dat de verdachte de kans dat er mensen zouden komen te overlijden daadwerkelijk onder ogen heeft gezien en dat bewust heeft aanvaard en de aanmerkelijke kans op de dood willens en wetens op de koop heeft toegenomen.
3.5
Naar het oordeel van het hof strekte de opdracht van de verdachte ertoe dat een woningraam zou worden ingegooid en dat vervolgens een explosief (‘cobra') of een brandend voorwerp (‘benzine', molotovcocktail)
in de woningzou worden gegooid. Daarmee is volgens het hof gepoogd anderen te bewegen tot het begaan van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing –
inde woning – waarvan gemeen voor goederen te duchten was. Het hof heeft er daarnaast op gewezen dat voor een dergelijke woningaanslag geldt dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof was dit ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ervan bewust is geweest dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] probeerde te bewegen tot een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig zouden zijn. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat het hem niet boeit als het huis ‘loezoe' (het hof begreep: verwoest wordt). Uit die uitspraak heeft het hof afgeleid dat de verdachte er rekening mee hield dat de beoogde woningaanslag verstrekkende gevolgen zou hebben en dat die gevolgen voor hem geen reden vormden om van (de poging tot uitlokking van) die woningaanslag af te zien. Op basis van het voorgaande heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn, waarmee sprake is van medeplegen van opzettelijke uitlokking van medeplegen van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
3.6
Ik meen dat het hof op basis van zijn vaststellingen zonder meer de bewijsconclusie heeft kunnen trekken dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van de in de woning aanwezige personen. Daarbij betrek ik in het bijzonder dat de opdracht van de verdachte ertoe strekte dat er een woningraam zou worden
ingegooiden dat
vervolgenseen explosief (‘cobra') of een brandend voorwerp (‘benzine', molotovcocktail)
in de woningzou worden gegooid en het hem niet zou boeien als het huis ‘loezoe’ gaat, waarmee wordt bedoeld dat het hem niet boeit als het huis verwoest (ofwel: weg) raakt. [2]
3.7
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich tegen de strafoplegging en bevat de klacht dat die niet begrijpelijk is nu het hof – anders dan het in de strafmotivering heeft overwogen – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd.
4.2
Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf overwogen:
“Straf opgelegd door de rechtbank
De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. De rechtbank heeft die straf opgelegd op basis van een andere bewezenverklaring dan waartoe het hof is gekomen. Anders dan het hof heeft de rechtbank het bewezenverklaarde niet mede aangemerkt als (medeplegen van) een poging tot uitlokking van moord.
[…]
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, voor het geval het hof toekomt aan het opleggen van een straf, bepleit dat een straf wordt opgelegd die meebrengt dat verdachte niet opnieuw detentie hoeft te ondergaan. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsvrouw onder meer gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de rol van verdachte in het gezin waar hij deel van uitmaakt. Verdachte is de enige man in een huishouden waar zowel zijn moeder als een van zijn zusjes ziek is, en verdachte ondersteunt zijn moeder bij het huishouden. Ook heeft de raadsvrouw gewezen op de bezigheden van verdachte wat betreft studie en werk.
Oordeel van het hof
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn begaan en vindt daarin de redenen voor het opleggen van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Verder heeft het hof onder meer gelet op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Verdachte heeft, terwijl hij zich nota bene in voorlopige hechtenis voor een ander strafbaar feit bevond, geprobeerd bekenden op vrije voeten een woningaanslag te laten plegen. Het ging om een aanslag bij mensen die hij niet kende. Hij gaf de beoogde uitvoerders de opdracht daar een woningraam in te gooien en vervolgens een explosief of een brandend voorwerp in de woning te gooien. Daarbij heeft verdachte aanvaard dat het een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat die woningaanslag fatale gevolgen zou hebben voor de bewoners. De opdracht van verdachte heeft ook daadwerkelijk geleid tot een incident bij de desbetreffende woning, maar doordat de uitvoerder is afgeweken van verdachtes opdracht en 'slechts' kiezelstenen tegen de woningruit heeft gegooid, is de materiële schade voor de bewoners beperkt gebleven. Dit is echter niet aan verdachte te danken.
Het bewezenverklaarde hangt samen met een reeks woningaanslagen die verband houdt met de langdurige poging tot afpersing van (de directie van) [A] (hierna: [A] of [A] ). In de regio waarin de woningaanslagen plaatsvonden, kort gezegd de [regio] en omliggende plaatsen, hebben die aanslagen gezorgd voor veel angst bij een grote groep mensen. De meeste aanslagen vonden plaats op adressen die voorkomen op een personeelslijst met honderden adressen van (voormalige) werknemers van [A] . Daardoor was iedereen die woonde op een adres dat voorkomt op de personeelslijst een potentieel doelwit van een eventuele volgende aanslag. Ook bij het bewezenverklaarde was het beoogde doelwit een adres op die personeelslijst.
Verdachte was niet de initiatiefnemer van de woningaanslag die hij heeft geprobeerd uit te lokken. Hij was gedetineerd op dezelfde plek als de afperser van [A] en is daar door die afperser benaderd om ervoor te zorgen dat (nieuwe) woningaanslagen zouden worden gepleegd. Door daarop in te gaan en het bewezenverklaarde te begaan, heeft verdachte een zeer kwalijke bijdrage geleverd aan een reeks woningaanslagen die het veiligheidsgevoel in de geteisterde regio ernstig heeft aangetast. Dat verdachte niet betrokken is geweest bij de eerdere woningaanslagen laat onverlet dat die voorgeschiedenis een verzwarend effect heeft gehad op de impact van het incident waarbij verdachte wel betrokken is geweest.
Strafblad
Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 oktober 2024. Dat bevat geen aantekeningen die invloed hebben op de straf die het hof oplegt.
Conclusie
Alles overziende, veroordeelt het hof verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de duur van het voorarrest. Naar het oordeel van het hof zou met de straf zoals opgelegd door de rechtbank, laat staan met een staf zoals door de raadsvrouw bepleit, geen recht worden gedaan aan de ernst van het door het hof bewezenverklaarde.”
4.3
Door de steller van het middel wordt er terecht op gewezen dat het hof in de strafmotivering overweegt dat hij in de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn begaan de redenen vindt voor het opleggen van een ‘deels onvoorwaardelijke’ vrijheidsstraf, waarna het een ‘geheel onvoorwaardelijke’ gevangenisstraf heeft opgelegd voor de duur van drie jaren.
4.4
Ik meen evenwel dat deze inconsistentie berust op een kennelijke verschrijving van het hof en deze verschrijving de strafoplegging niet reeds onbegrijpelijk maakt. De strafmaatoverwegingen houden slechts op één plaats deze verschrijving in, terwijl in die overwegingen later en ook in het dictum is opgenomen dat het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren oplegt. Mede gezien de overweging dat naar het oordeel van het hof met de straf zoals opgelegd door de rechtbank (te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren), laat staan een straf zoals door de raadsvrouw bepleit (te weten een straf die meebrengt dat verdachte niet opnieuw detentie hoeft te ondergaan) geen recht zou worden gedaan aan de ernst van het door het hof bewezenverklaarde, is wat mij betreft evident dat het hof heeft beoogd enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren op te leggen.
4.5
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel richt zich tegen het bevel tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en bevat de klacht dat het oordeel van het hof daaromtrent getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend gemotiveerd is.
5.2
Over een dergelijk in een eindarrest opgenomen bevel kan in cassatie weliswaar worden geklaagd, maar een bespreking van die klacht vergt een rechtens te respecteren belang. Naar mijn mening ontbreekt dat belang in deze zaak. Ik licht dit toe.
5.3
Als de Hoge Raad de strekking van mijn conclusie volgt en het beroep ten aanzien van de eerste twee voorgestelde middelen verwerpt, zal het arrest en daarmee de opgelegde gevangenisstraf onherroepelijk worden. In zoverre ontvalt dan de titel van de ‘voorlopige’ hechtenis en zal de opgelegde gevangenisstraf geëxecuteerd kunnen gaan worden.
5.4
Ook overigens is het de vraag wat cassatie op dit punt zou brengen. In theorie zou cassatie ertoe kunnen leiden dat de – in het arrest opgenomen – beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis zal worden vernietigd. [3] Daarbij is van belang dat een beslissing op de voorlopige hechtenis niet een beslissing is als bedoeld in de artt. 348 en 350 Sv, [4] zodat een vernietiging van de beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis het arrest voor het overige in stand zou laten. Daarmee wordt dan het arrest (en daardoor de straf) onherroepelijk en vervalt reeds het voorlopige karakter van de hechtenis, waardoor na terugwijzing geen belang zal resteren op dat punt. [5]
5.5
Verder wijs ik erop dat de Hoge Raad nog tamelijk recent – na de in deze zaak bestreden uitspraak – in het belang der wet een arrest heeft gewezen met betrekking tot de (opheffing van de) schorsing van de voorlopige hechtenis. In dit arrest van 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad overwogen:

5.3.1 Het wettelijk stelsel met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis houdt op hoofdlijnen het volgende in. De rechter kan bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden (artikel 80 lid 1 Sv Pro). Op grond van artikel 82 Sv Pro kan de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie "te allen tijde" de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Voordat de rechter daartoe overgaat, hoort hij zo mogelijk de verdachte. De beslissing tot opheffing van de schorsing is op grond van artikel 86 lid 5 Sv Pro dadelijk uitvoerbaar.
5.3.2
Met de bevoegdheid van de rechter om "te allen tijde" de opheffing van de schorsing te bevelen is, zo volgt uit de onder 4.2 weergegeven wetsgeschiedenis, tot uitdrukking gebracht dat - naast de niet-nakoming van de aan de schorsing verbonden voorwaarden, waaraan in de eerste plaats is gedacht - ook andere omstandigheden aanleiding kunnen geven om de schorsing op te heffen, zoals een toegenomen gevaar voor vlucht of voor herhaling. Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt overgegaan, gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst als het doel dat - gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen - in het concrete geval met de voorlopige hechtenis wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo'n schorsing. Dat betekent dat de rechter pas tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis mag overgaan, als die opheffing noodzakelijk is gelet op het genoemde doel.
5.3.3
Voor de beslissing over de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis is verder nog het volgende van belang. Op grond van artikel 75 lid 1 Sv Pro kan na het instellen van hoger beroep een bevel tot voorlopige hechtenis ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging. Deze bepaling brengt in het onder 5.2 geschetste geval echter niet met zich dat de enkele omstandigheid dat zo'n straf of maatregel is of wordt opgelegd, een toereikende grond vormt voor het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis. In lijn met wat onder 5.3.2 is overwogen, moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis ook dan berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. In die afweging kan betekenis toekomen aan de omstandigheid dat de verdachte is veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur is opgelegd, in die zin dat met die veroordeling een groter gewicht toekomt aan de grond of de gronden die in het concrete geval al aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen. Ook in dat geval moet echter een afweging plaatsvinden tegen de belangen van de verdachte. In die afweging kan de rechter - voor zover dat in het concrete geval aan de orde is - onder meer betrekken in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis, zoals het hebben van een dagbesteding, het volgen van scholing of het ondergaan van een behandeling, al dan niet onder toezicht van de reclassering, en wat het effect daarvan is geweest. Als sprake is van een wending ten goede in het leven van de verdachte waardoor het gevaar voor recidive is afgenomen, kan dat meebrengen dat het zowel in het belang van de verdachte als in het belang van de samenleving in zijn geheel is om de schorsing onder de betreffende voorwaarden te laten voortduren.
5.3.4
Het voorschrift dat de rechter zo mogelijk de verdachte hoort voordat hij overgaat tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis, strekt ertoe dat de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over de belangen die voor hem op het spel staan als hij (opnieuw) van zijn vrijheid wordt beroofd en om de rechter in staat te stellen deze belangen in zijn afweging te betrekken. In het onder 5.2 geschetste geval zal de beslissing om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen pas worden genomen tijdens de beraadslaging als bedoeld in artikel 350 Sv Pro. Het hiervoor genoemde voorschrift vergt dan dat alles wat relevant is voor die beslissing - ook waar het gaat om de hiervoor genoemde belangen van de verdachte - voldoende concreet tijdens het onderzoek op de terechtzitting door de rechter aan de orde is gesteld.
5.3.5
In de praktijk kan zich de situatie voordoen waarin de voorlopige hechtenis voor bepaalde tijd is geschorst, tot aan de terechtzitting of tot aan de einduitspraak. Hoewel in dat geval de schorsing van de voorlopige hechtenis ten einde komt doordat het onderzoek op de terechtzitting aanvangt dan wel de einduitspraak wordt gewezen, ligt het niettemin in de rede dat de rechter op grond van de actuele situatie beoordeelt of - gelet op de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte - dit aflopen van de schorsing van de voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is, dan wel een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen. De rechter kan hierover ambtshalve een beslissing nemen en daartoe de actuele situatie van de verdachte tijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde stellen. Ook kan de verdediging - al dan niet door het doen van een (hernieuwd) verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis - de rechter opmerkzaam maken op het aflopen van de voor de schorsing bepaalde termijn en op de concrete belangen die voor de verdachte op het spel staan als hij opnieuw van zijn vrijheid wordt beroofd.
5.3.6
De beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis moet, net als elke beslissing met betrekking tot de voorlopige hechtenis, een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten (vgl. HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1662). Uit die motivering moet blijken dat de rechter de onder 5.3.2 genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval het (alsnog) voortzetten van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis noodzakelijk is.”
5.6
Voor de dagelijkse praktijk lijkt mij op dit punt geen nadere verduidelijking door de Hoge Raad nodig.
5.7
Ik meen dat ten aanzien van schrifturen waarin enkel middelen zijn voorgesteld nopens de voorlopige hechtenis, afdoening met art 80a RO voor de hand ligt. [6]
5.8
Het middel dient bij gebrek aan rechtens te respecteren belang buiten bespreking te blijven.

6.Het vierde middel

6.1
Het middel richt zich tegen de toewijzing van de door de benadeelde partijen gevorderde vergoeding van immateriële schade ter hoogte van telkens € 4.000,- en de in dit verband opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
6.2
Ik roep in herinnering dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 april 2021 tot en met 2 mei 2021 in [plaats] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om misdrijven te weten: moord op de bewoner(s) van een woning aan [a-straat 1] te [plaats] en opzettelijke brandstichting en/of opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in een woning (perceel [a-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten te begaan, opzettelijk
het adres " [a-straat 1] " en/of " [plaats] " aan die [betrokkene 2] heeft doorgegeven of heeft laten doorgeven en/of
- een geldbedrag aan die [betrokkene 2] als beloning voor het plegen van voornoemde misdrijven in het vooruitzicht heeft gesteld of heeft laten stellen en
- die [betrokkene 2] op dwingende wijze hebben gezegd of laten zeggen dit feit te plegen en/of
instructies heeft gegeven of laten geven aan die [betrokkene 2] over hoe dit feit uitgevoerd zou moeten worden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, te weten de uitlokking, niet is voltooid.”
6.3
Het hof heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen overwogen:
“Beoordelingskader immateriële schade (smartengeld)
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft drie categorieën waarin een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen smartengeldvergoeding, namelijk (a) indien verdachte het oogmerk had de schade toe te brengen, (b) indien sprake is van aantasting in de persoon of (c) indien sprake is van aantasting van de nagedachtenis van een overledene. Onder sub b vallen drie verschijningsvormen: (1) lichamelijk letsel, (2) aantasting van eer en goede naam en (3) aantasting in de persoon op andere wijze. Onder aantasting in de persoon op andere wijze valt in ieder geval geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een dergelijke aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. Ook hier zal degene die zich hierop beroept in beginsel de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De enkele schending van een recht is daartoe niet voldoende.
Context bewezenverklaarde
Bij de beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade heeft het hof rekening gehouden met het volgende. De (mislukte) woningaanslag waarover deze strafzaak gaat, vond plaats in het verlengde van een reeks woningaanslagen die zijn gepleegd in verband met een langdurige poging tot afpersing van [A] . Die poging tot afpersing, die erop gericht was [A] te bewegen tot betaling van een geldbedrag of bitcoins, begon in mei 2019 met een reeks dreigende telefoonberichten. Later heeft de afperser de druk op [A] opgevoerd door middel van aanslagen op woning van (ex-)medewerkers en familieleden van [A] . Een groot deel van die aanslagen vond plaats op adressen die voorkomen op een personeelslijst die in het bezit van de afperser is gekomen en een aanzienlijk aantal vond plaats in een afgebakende regio, kort gezegd de [regio] en omliggende plaatsen. Door één van die aanslagen is op 25 november 2020 in Hedel een woning afgebrand als gevolg van de ontploffing van een vuurwerkbom die door het raam was gegooid.
De poging tot afpersing en de daarmee samenhangende reeks woningaanslagen, die veel aandacht hebben gekregen in de landelijke maar vooral in de regionale media, hebben in dat gebied veel angst teweeggebracht. Een grote groep mensen was een potentieel doelwit van een eventuele volgende aanslag. Dat gold in ieder geval voor de mensen die woonden op een adres dat voorkomt op de personeelslijst. Die kring van potentiële doelwitten werd nog vergroot door de reële mogelijkheid van een vergisaanslag, waarbij door een vergissing de aanslag zou plaatsvinden op een ander adres dan het beoogde doelwit. Een grote groep mensen in de [regio] en omliggende plaatsen leefde dus geruime tijd in de angst zelf het volgende slachtoffer te zullen worden. Daarbij was er, zeker na de hiervoor genoemde woningbrand in Hedel , de gegronde vrees dat een volgende aanslag een dodelijke afloop zou hebben.
Toewijzing vorderingen
Het hof wijst de vorderingen volledig toe. De benadeelde partijen wisten dat hun adres voorkwam op de personeelslijst waarover de afperser beschikte. Zij leefden daardoor al geruime tijd onder de dreiging dat ook zij het slachtoffer zouden worden van een woningaanslag. Door het incident op 2 mei 2021 kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van nog een tweede aanslag. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde, mede gelet op de context waarin dat heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting in hun persoon zijn aangetast ('op andere wijze’, in de zin van artikel 6:106. aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek). Verdachte is door zijn bijdrage aan het incident bij de woning van de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de (immateriële) schade die de benadeelde partijen daardoor hebben geleden.”
6.4
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van aantasting van de persoon 'op andere wijze' blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in algemene zin is ingegaan op de gevolgen van verschillende aanslagen op woningen van medewerkers van [A] (hierna: [A] ) en het hof geen nadere vaststelling heeft gedaan met betrekking tot de gevolgen die de normschending (het bewezenverklaarde feit) voor deze benadeelde partijen concreet heeft gehad en evenmin heeft vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen. Daarbij is aangevoerd dat gevoelens van angst en vrees voor herhaling niet toereikend zijn om aan te nemen dat de benadeelde partijen 'op andere wijze' in hun persoon zijn aangetast.
6.5
Artikel 6:106 BW Pro luidt, voor zover hier van belang:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
[…]
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
6.6
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:
“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
6.7
Ten laste van de verdachte is, zoals al aangegeven, bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (kortgezegd) het uitlokken van een (moord)aanslag, waarbij brand gesticht moest worden in de woning van de slachtoffers dan wel daar een ontploffing teweeg moest worden gebracht, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar voor de bewoners te duchten was. Bij de beoordeling van de vordering die is ingediend wegens de woningaanslag op 2 mei 2021 heeft het hof rekening gehouden met het feit dat die mislukte woningaanslag, waarover de strafzaak gaat, plaatsvond in het verlengde van een reeks woningaanslagen die zijn gepleegd in verband met een langdurige poging tot afpersing van [A] . Die aanslagen vonden onder meer plaats op adressen van personeelsleden die op de personeelslijst stonden. Het hof heeft de vorderingen toegewezen en heeft daartoe overwogen dat de benadeelde partijen wisten dat hun adres voorkwam op de personeelslijst waarover de afperser beschikte en zij daardoor al geruime tijd onder de dreiging leefden dat ook zij het slachtoffer zouden worden van een woningaanslag. Door het incident op 2 mei 2021 kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet volgens het hof buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van nog een tweede aanslag. Het hof heeft op basis van het voorgaande geoordeeld dat het bewezenverklaarde,
medegelet op de context waarin dat heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting in hun persoon zijn aangetast ('op andere wijze’, in de zin van artikel 6:106. aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek).
6.8
Het middel berust mijns inziens op een onjuiste lezing van het arrest, nu het ervan uitgaat dat het hof enkel in algemene zin is ingegaan op de gevolgen van verschillende woningaanslagen die gerelateerd worden aan [A] en het geen nadere vaststelling heeft gedaan met betrekking tot de gevolgen die de normschending (het bewezenverklaarde feit) voor deze benadeelde partijen concreet heeft gehad. Het hof heeft in zijn oordeel immers de woningaanslag van 2 mei 2021 tot uitgangspunt genomen en, ‘mede’ gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, geoordeeld dat de woningaanslag een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting ‘op andere wijze’ in hun persoon zijn aangetast. Dat oordeel – waarvoor anders dan de steller van het middel kennelijk meent niet vereist is dat is vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen – acht ik geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.
6.9
Het middel faalt.

7.Slotsom

7.1
Het eerste, tweede en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel dient buiten bespreking te blijven.
7.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-004443-23.
2.Vgl. de betekenis van het uit het Surinaams-Engels (Sranantongo) afstammende woord ‘loesoe’ op www.straatwoordenboek.nl.
3.Zoals de Hoge Raad in het belang van de wet deed in zijn arrest van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987,
4.Het is een zogenoemde ‘nevenuitspraak’ volgens A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
5.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
6.Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,