ECLI:NL:PHR:2026:726

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/01294
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen en uitlokking van woningaanslagen en overschrijding redelijke termijn

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van uitlokking van opzettelijke ontploffingen met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar, en een poging daartoe, in het kader van een afpersingszaak tegen een fruitbedrijf in Hedel. De veroordeling betreft meerdere woningaanslagen en een verijdelde aanslag op woningen van (voormalig) medewerkers van het bedrijf.

In cassatie zijn drie middelen voorgesteld. Het eerste middel betrof het oordeel van het hof dat de verdachte zijn recht op ondervraging van een bedreigde getuige heeft prijsgegeven, omdat de getuige uit angst voor represailles van of namens de verdachte zijn verschoningsrecht heeft ingeroepen. De Hoge Raad concludeert dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en dat de verklaringen van de getuige ondanks het ontbreken van effectieve ondervraging voor bewijs kunnen worden gebruikt, mede dankzij voldoende compenserende factoren.

Het tweede middel klaagt over de bewijsvoering van de uitlokking van de verijdelde aanslag, maar faalt omdat het hof op basis van telefoongesprekken, verklaringen en locatiegegevens overtuigend heeft vastgesteld dat de verdachte nauw samenwerkte met medeverdachten bij het organiseren van de aanslagen. Het derde middel betreft de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, die wel is vastgesteld maar niet leidt tot cassatie, mogelijk wel tot strafvermindering.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep en tot eventuele vermindering van de straf wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf kan worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01294
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens
- in de zaak met parketnummer 05/780000-21 onder 2 en in de zaak met parketnummer 05-780030-21 onder 3 “medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften, door het verschaffen van middelen en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”,
- in de zaak met parketnummer 05/780000-21 onder 7 “medeplegen van een poging om een ander door beloften, door het verschaffen van middelen en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het begaan van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en
- in de zaak met parketnummer 05/780030-21 onder 2, 4 en 5 “medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften, door het verschaffen van middelen en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals nader omschreven in het arrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte in de voorliggende zaak als uitlokker betrokken is geweest bij meerdere aanslagen en een verijdelde aanslag op woningen van (voormalig) medewerkers van het fruitbedrijf.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zijn recht op ondervraging van [getuige] heeft prijsgegeven doordat de getuige is bedreigd onjuist althans niet begrijpelijk is. De tweede deelklacht betreft het oordeel van het hof dat voldoende compensatie is geboden voor het niet effectief hebben kunnen ondervragen van deze getuige, welk oordeel volgens de stellers van het middel niet zonder meer begrijpelijk is. Beide deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Het hof heeft in zijn arrest overwogen:

2.2. Verklaringen van [getuige] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [getuige] , maar dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest hem te ondervragen. Daarbij is er door de verdediging op gewezen dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [getuige] kunnen volgens de verdediging om deze redenen dus niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal zijn van mening dat bij het gebruiken van de verklaringen van [getuige] van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro geen sprake is. [getuige] heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen uit angst voor represailles en vanwege de druk die door of van de zijde van verdachte op hem en zijn familie is uitgeoefend. Nu de dreiging uitgaat van de zijde van verdachte, al dan niet in samenspraak met medeverdachten, heeft verdachte zijn recht om [getuige] te horen prijsgegeven. De verklaringen van [getuige] vormen in beslissende mate het bewijs tegen verdachte en zijn aan te merken als ‘sole or decisive’. Desalniettemin is het niet kunnen effectueren van het ondervragingsrecht van [getuige] in voldoende mate gecompenseerd. Door de rechtbank zijn de compenserende factoren uitgebreid opgesomd en in hoger beroep zijn deskundige [deskundige] en de vier WOD’ers nogmaals gehoord. Alle door [getuige] afgelegde verklaringen, als getuige en als verdachte, kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Verklaringen van [getuige]
Het hof stelt vast dat [getuige] op verschillende momenten door de politie is verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is het verzoek van de verdediging toegewezen om [getuige] bij de rechter-commissaris/raadsheer-commissaris als getuige te laten horen. In eerste aanleg heeft [getuige] één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en in hoger beroep heeft [getuige] zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] te toetsen.
Anders dan de verdediging heeft gesteld, is het hof - zoals hieronder nader wordt onderbouwd - van oordeel dat het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid in deze zaak niet meebrengt dat de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [getuige] . Gelet op het onder 2.1 overwogene gaat het hier overigens alleen om de als getuige (5 en 7 januari 2021) en de als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen van [getuige] .
Wettelijk kader
De Hoge Raad heeft in 2013:BX5539 bepaald dat uit beslissingen van het EHRM (onder meer) kan worden afgeleid dat ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte, verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven.
Daarnaast heeft de Hoge Raad in 2021:1418 overwogen en in 2022:86 herhaald, dat voor de beoordeling of in het geval van het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid met het gebruik van een getuigenverklaring wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is. Daarnaast is ook de mogelijke aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren van belang voor die beoordeling, waarbij de verschillende beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er in dat geval compenserende factoren zijn.
Toetsingskader
Het gaat er hier dus om dat het kan zijn dat een verdachte het recht om een getuige (nader) te (doen) horen, heeft prijsgegeven ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen als op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte. Daarnaast gaat het er om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden kunnen bevestigen waarop de getuigenverklaring ziet. Van belang kunnen ook zijn verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
Overwegingen van het hof
Het hof overweegt in het licht van het voorgaande het volgende.
(i) Er is inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [getuige] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [getuige] heeft zich bij het verhoor bij de rechter- en raadsheer- commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de bedreigingen richting hem en zijn familie zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof stelt vast dat in het op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige] verstuurde dreigbericht onder meer wordt gesproken over "de advocaten van alle verdachten’' en dat dit bericht daarom een dreiging impliceert afkomstig uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van verdachte. Dat de dreiging nog steeds reëel is maakt het hof ook op uit het proces-verbaal verhoor [getuige] van 9 februari 2024, waar de raadsheer-commissaris op grond van het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv Pro de personalia van [getuige] niet heeft opgenomen in het proces-verbaal. Het hof is dan ook van oordeel dat daarmee voldoende vaststaat dat de bedreigingen, die [getuige] ervan weerhouden te willen verklaren, afkomstig zijn uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook van de zijde van verdachte komen. Reeds daarom is het hof van oordeel dat verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [getuige] heeft prijsgegeven.
(ii) Uit de regels die voortvloeien uit de Vidgen-jurisprudentie van het EHRM en de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM Pro indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring.
Het hof is van oordeel dat in het geval van verdachte, een bewezenverklaring inderdaad in beslissende mate zou berusten op de verklaringen van [getuige] . Gelet hierop moet het hof bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van het hof bestaan de volgende compenserende factoren:
- het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-actie opgemaakt door de A- en B-nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden; de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-actie;
- de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers);
- de verhoren bij de raadsheer-commissaris van vier politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers);
- de verhoren van [getuige] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd;
- de verhoren van medeverdachten bij de rechter- en raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige:
- de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachten belastend hebben verklaard bij de politie (zoals [naam 1] en [naam 2] );
- prof. dr. [deskundige] is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [getuige] opgemaakt;
- de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd:
- naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. [deskundige] aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd;
- de verdediging heeft in hoger beroep de mogelijkheid gehad om prof. dr. [deskundige] ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en daarvan gebruik gemaakt;
- het hof heeft op verzoek van de verdediging een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige] zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, deze aan de verdediging verstrekt en de verdediging de gelegenheid gegeven om zich daarover uit te laten ter terechtzitting en
- het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg.
Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaringen en het bestaan van compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt het hof tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van [getuige] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van [getuige] voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder dat het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden.”
3.3
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat verklaringen van getuige en tevens medeverdachte [getuige] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [getuige] is vijfmaal ondervraagd door de politie, namelijk op 5 en 7 januari 2021 (als getuige) en op 23, 24 en 25 februari 2021 (als verdachte). Daarna is hij, naar aanleiding van verzoeken van de verdediging, bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft hij één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en bij de raadsheer-commissaris heeft hij zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. In zijn eigen strafzaak heeft hij aangegeven dat hij dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw zal doen vanwege de dreiging richting hem en zijn familie die vanaf 18 april 2021 bestaat.
3.4
Op grond van art. 6 lid 1 onder Pro d EVRM heeft de verdediging het recht om getuigen te ondervragen. Indien een getuige weigert vragen te beantwoorden tijdens zijn verhoor is van een reële en effectieve mogelijkheid om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van eerdere verklaringen van de getuige te toetsen, geen sprake geweest. [2] In een dergelijk geval heeft de verdediging niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Dit brengt echter niet mee dat het gebruik van een dergelijke verklaring voor het bewijs zonder meer strijdig is met art. 6 EVRM Pro.
3.5
Om te beoordelen of in het geval waarin de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, de verklaring van de betreffende getuige voor het bewijs kan worden gebezigd, heeft het EHRM een driestappentoets ontworpen. In de eerste plaats wordt daarbij getoetst of een goede reden bestaat voor het niet hebben kunnen ondervragen van de getuige. Als inderdaad sprake is van een goede reden wordt getoetst of de verklaring van de niet effectief ondervraagde getuige
sole or decisiveof van
significant weightis voor het bewijs. Is dat het geval dan is het gebruik enkel toegestaan als er voldoende
counterbalancing factorsaanwezig zijn die het ontbreken van de mogelijkheid tot effectieve ondervraging compenseren. [3] Bij de beoordeling van de vraag of het proces in zijn geheel eerlijk is geweest, bestaat een verband tussen het gewicht die de verklaring van de niet-ondervraagde getuige inneemt in de bewijsconstructie en de mate waarin compenserende factoren aanwezig dienen te zijn. [4]
3.6
De hiervoor genoemde driestappentoets is verbonden met het ondervragingsrecht en behoeft dan ook enkel te worden doorlopen als van dat ondervragingsrecht geen afstand is gedaan. Afstand kan naast expliciet ook impliciet worden gedaan. Het EHRM overwoog in de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk [5] in verband met die laatste variant (onderstreping D.P.):
“122. Absence owing to fear calls for closer examination. A distinction must be drawn between two types of fear: fear which is attributable to threats or other actions of the defendant or those acting on his or her behalf and fear which is attributable to a more general fear of what will happen if the witness gives evidence at trial.
123. When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trialwithout the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives– even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant. To allow the defendant to benefit from the fear he has engendered in witnesses would be incompatible with the rights of victims and witnesses. No court could be expected to allow the integrity of its proceedings to be subverted in this way.Consequently, a defendant who has acted in this manner must be taken to have waived his rights to question such witnesses under Article 6 § 3 (d).The same conclusion must apply when the threats or actions which lead to the witness being afraid to testify come from those who act on behalf of the defendant or with his knowledge and approval.
In the Horncastle and others case the Supreme Court observed that it was notoriously difficult for any court to be certain that a defendant had threatened a witness. The Court does not underestimate the difficulties which may arise in determining whether, in a particular case, a defendant or his associates have been responsible for threatening or directly inducing fear in a witness. However, the Tahery case shows that, with the benefit of an effective inquiry, such difficulties are not insuperable.”
3.7
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van dit arrest onder meer geoordeeld dat in geval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van de verdachte, de verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. [6]
3.8
Uit hetgeen ik onder de randnummers 3.6 en 3.7 heb vermeld, leid ik af dat een verdachte die een getuige bedreigt geacht moet worden afstand te hebben gedaan van zijn ondervragingsrecht. [7] Die bedreiging moet evenwel op grond van objectieve gegevens in rechte komen vast te staan, naar aanleiding van een adequaat onderzoek door de feitenrechter. [8]
3.9
Het hof heeft vastgesteld dat op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige] een dreigbericht is verstuurd waarin onder meer wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten” [9] en dat de getuige vervolgens zijn proceshouding heeft aangepast en zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen in verband met de bedreiging. Het hof heeft gelet op de inhoud van het bericht vervolgens vastgesteld dat de sms een dreiging impliceert uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van de verdachte. Dit brengt volgens het hof mee dat de verdachte zijn recht op ondervraging van deze getuige heeft prijsgegeven.
3.1
Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof dat de verdachte zijn recht op ondervraging van [getuige] heeft prijsgegeven onjuist althans niet begrijpelijk. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat zij menen dat de overweging dat de bedreiging aan [getuige] ‘uit de hoek van de aanslagplegers’ komt onvoldoende is om te kunnen stellen dat deze
daarmeeook uit de richting van de verdachte komt, zodat hij zijn recht op ondervraging heeft verspeeld. Dit brengt volgens de stellers van het middel mee dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
3.11
Deze (eerste deel)klacht faalt wat mij betreft. Daarbij betrek ik dat het hof verderop in zijn arrest – aan de hand van een verklaring van [getuige] – nog heeft vastgesteld dat een dreig-sms is verstuurd naar de moeder van de getuige met een ultimatum aan de getuige om zijn verklaringen in te trekken, omdat anders zijn leven een hel zou worden, waarna de getuige zijn proceshouding daadwerkelijk heeft aangepast en heeft geweigerd vragen te beantwoorden. [10] Het is vervolgens niet onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de dreig-sms, waarin kennelijk ook wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, gelet op de inhoud van dit bericht, een dreiging impliceert afkomstig uit de hoek van de aanslagplegers en daarmee ook uit de richting van de verdachte, zodat de verdachte zijn recht op ondervraging heeft verspeeld.
3.12
Dat de verdachte aldus geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht de getuige te ondervragen, vindt steun in de hiervoor geciteerde EHRM-jurisprudentie die er in de kern op neer komt dat ingeval een getuige niet wil verklaren uit angst voor represailles door of namens de verdachte, dit er niet aan in de weg staat zijn verklaringen voor het bewijs te bezigen zelfs als deze
sole or decisivezijn voor de veroordeling. Het moet volgens het EHRM dan gaan om bedreigingen afkomstig van de verdachte of “
from those who act on [his] behalf […] or with his knowledge and approval”. [11] Hieruit leid ik af dat voldoende is dat de bedreiging namens en gericht op het belang van de verdachte is gedaan (het gebruik van het woord “
or” in de zinssnede “
from those who act on behalf of the defendant or with his knowledge and approval” duidt er immers op dat ook als geen sprake is van
knowledge and approvalaan de zijde van de verdachte een bedreiging toch aan hem kan worden toegerekend). Een andere lezing van de EHRM-rechtspraak zou tot de onaanvaardbare conclusie leiden dat de verdachte voordeel heeft als gevolg van bedreigingen die mede in zijn belang zijn gedaan door zijn criminele compagnons.
3.13
Gezien het voorgaande zou ik willen betogen dat de kous hiermee af is in cassatie. De bedreiging van een getuige brengt mijns inziens immers niet alleen mee dat de verdachte geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht de getuige te ondervragen, maar ook dat de hiervoor aan de orde gekomen driestappentoets van het EHRM niet meer behoeft te worden doorlopen. Het EHRM heeft in dit verband overwogen: “
When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trial without the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives –even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant” (onderstreping door mij, D.P.).De klacht over het ontbreken van voldoende compenserende factoren faalt daarmee, nu deze klacht in feite een overweging ten overvloede betreft. Voor het geval de Hoge Raad daar anders over mocht denken, zal ik ook de klacht over de compenserende factoren bespreken.
3.14
Ten eerste staat vast dat er een goede reden was dat de getuige niet effectief kon worden ondervraagd. Dit was namelijk het directe gevolg van de bedreigingen aan zijn adres. Wat betreft de vraag of voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het gebruik van de verklaring van [getuige] , die zoals het hof ook overweegt,
decisiveis geweest voor de veroordeling van de verdachte, het volgende. De stellers van het middel klagen dat deze tekortschieten. Daartoe wordt in het kader van de tweede deelklacht aangevoerd dat het stellen van vragen aan anderen, zoals WOD’ers, observanten en medeverdachten, omtrent hetgeen deze al dan niet zouden hebben waargenomen geen betrekking heeft op de voor de verdachte belastende onderdelen van de verklaringen van [getuige] .
3.15
In de zaak Snijders tegen Nederland [12] heeft het EHRM in het kader van de vraag of er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het uitblijven van een effectieve ondervragingsmogelijkheid het volgende overwogen:

75. The Court found the following elements of relevance in the assessment of the adequacy of counterbalancing factors: the trial court’s approach to the untested evidence; the availability and strength of corroborative evidence supporting the untested witness statements; and the procedural measures taken to compensate for the lack of opportunity to directly cross-examine the witness at the trial (see paragraph 63 above).
76. In this connection, the Court has held that the question whether there were sufficient counterbalancing factors is closely related to the evidentiary weight of the statements of an untested witness, which is, in turn, inversely related to the evidentiary weight of other items of evidence. In other words, the more important the remaining evidence, the less evidentiary weight is attributed to the statements of an untested witness and, in turn, the less weight the counterbalancing factors would have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair (see, mutatis mutandis, AlKhawaja and Tahery, §§ 131 and 139; Schatschaschwili, §§ 116 and 123; and, more recently, Asani, §§ 34 under item (vi) and 35, all cited above).
3.16
Het hof heeft, zoals hiervoor onder randnummer 3.2 van deze conclusie is weergegeven, aangegeven waaruit de compenserende maatregelen bestaan. In het bijzonder wijs ik in dit verband op:
- het feit dat de verhoren van [getuige] als getuige auditief zijn vastgelegd en dat de verdediging deze mocht beluisteren; [13]
- het op verzoek van de verdediging inschakelen van een deskundige die een rapport heeft opgesteld over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van de getuige; [14]
- het naar aanleiding van de verklaringen van [getuige] die hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd ambtshalve opstellen en toevoegen aan het dossier van een proces-verbaal met de zaakgerelateerde weergave hiervan door de rechtbank en het naar aanleiding van deze verklaring laten opstellen van een aanvullend rapport door de deskundige (waarbij enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord) welke rapportage ook ambtshalve aan het dossier is toegevoegd;
- het ter terechtzitting in hoger beroep horen van de voornoemde deskundige; [15]
- het op verzoek van de verdediging door het hof opmaken van een verkort proces-verbaal van de verklaringen die de getuige ter terechtzitting in hoger beroep (ik neem aan in zijn eigen strafzaak, D.P.) heeft afgelegd en het verstrekken hiervan aan de verdediging en het in de gelegenheid stellen van de verdediging om zich hierover uit te laten;
- het verhoren van de politiemensen die bij de WOD-actie waarbij de getuige voor het eerst is benaderd, was betrokken.
3.17
De stellers van het middel lijken gelet op het voorgaande te miskennen dat volgens het hof de compenserende maatregelen niet alleen bestaan uit het stellen van vragen aan anderen, zoals WOD’ers, observanten en medeverdachten, omtrent hetgeen deze al dan niet zouden hebben waargenomen. Bovendien wijs ik erop dat het hof in zijn arrest, hoewel niet in het kader van de driestappentoets van het EHRM, ook uitgebreid heeft stilgestaan bij de betrouwbaarheid [16] van de verklaringen van [getuige] en per woningaanslag uiteen heeft gezet waaraan steun [17] kan worden ontleend voor deze verklaring [18] (onder meer camerabeelden, ANRP-hits, de aangetroffen explosieven en specifieke wijze waarop aanslagen hebben plaatsgevonden). Ook de tweede deelklacht faalt daarmee.
3.18
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het in de zaak met parketnummer 05/780000-21 onder 7 bewezenverklaarde niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan volgen.
4.2
Ten laste van de verdachte is in zaak met parketnummer 05/780000-21 onder 7 bewezenverklaard dat:

hij in de periode van 15 december 2020 tot en met 22 december 2020 in Nederland,
ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, [betrokkene 1] door, beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen om een misdrijf te begaan,
te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in vereniging in een woning (perceel [a-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen te duchten, opzettelijk
- een geldbedrag aan die [betrokkene 1] als beloning voor het plegen van voornoemd misdrijf in het vooruitzicht heeft laten stellen en
- adresgegevens van (een) bewoner(s) (van voornoemde woning) en
- (een) (mortier)bom(men)/shell(s)/Cobra(s) (in een zak op een verstopplek onder bladeren bij een specifieke boom in [plaats] )
- aangeduid in de communicatie tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] als ‘dingen’
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, te weten de uitlokking, niet is voltooid”.
4.3
De bewezenverklaring berust op de volgende op PROMIS-wijze weergegeven bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):
“4.3.6.
20-21 december 2020: verijdelde aanslag in [plaats] . [a-straat 1] (05/780000-21, feit 7)
[medeverdachte 8] maakte gebruik van [telefoonnummer 1] (* [telefoonnummer 1] ).
[betrokkene 2] maakte gebruik van [telefoonnummer 2] (* [telefoonnummer 2] ).
[betrokkene 1] maakte gebruik van [telefoonnummer 3] (* [telefoonnummer 3] ).
[verdachte] maakte gebruik van ( [telefoonnummer 4] (* [telefoonnummer 4] )
Op 21 december 2020 om 13.33 uur is op de telefoon van [medeverdachte 8] op de website van Google Maps het adres [a-straat 1] in [plaats] geselecteerd.
Zoals hiervoor al aangegeven woonde op dat adres een dochter van [benadeelde] .
Op 21 december 2020 vanaf 13.47 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) een telefoongesprek met
[betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Op 21 december 2020 vanaf 15.02 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) een telefoongesprek met
[betrokkene 2] (* [telefoonnummer 2] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Het hof heeft bij de interpretatie van dit gesprek tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 2] het volgende in aanmerking genomen.
- Op 20 december 2020 maakte de telefoon van [betrokkene 2] (* [telefoonnummer 2] ) om 02.37 uur verbinding met de zendmast bij [adres 1] in [plaats] . De afstand tussen dat adres en het adres [a-straat 1] in [plaats] is hemelsbreed ongeveer 574 meter. Diezelfde nacht om 02.16 en 02.53 uur maakte die telefoon van [betrokkene 2] verbinding met zendmasten in [plaats] . [betrokkene 2] woonde in [plaats] .
- Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 8] samen met [getuige] heeft deelgenomen aan vijf woningaanslagen die zijn gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 november 2020. Aan de aanslag van 5 oktober 2020 is ook deelgenomen door [betrokkene 2] . Bij die woningaanslagen is telkens een ontploffing teweeggebracht door middel van een mortierbom/shell.
[getuige] heeft verklaard dat de shells van ' [verdachte] ' ( [verdachte] ) kwamen en dat het bij alle aanslagen (waaraan [getuige] heeft deelgenomen) zo ging dat [verdachte] de shell aan [medeverdachte 8] gaf.
[medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) en [verdachte] (* [telefoonnummer 4] ) voerden op 20 november 2020 een telefoongesprek dat hieronder gedeeltelijk is weergegeven.
Op 21 december 2020 om 16.43 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) opnieuw een telefoongesprek met [betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Op 21 december 2020 om 19.01 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) opnieuw een telefoongesprek met [betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Op 21 december 2020 om 20.33 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) een telefoongesprek met
[verdachte] (* [telefoonnummer 4] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven
Op 21 december 2020 vond tussen 21.16 uur en 22.00 uur via WhatsApp een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) en [betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ). Die berichtenwisseling is hieronder gedeeltelijk weergegeven
Op 21 december 2020 om 22.20 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) opnieuw een telefoongesprek met [verdachte] (* [telefoonnummer 4] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven
Op 21 december 2020 om 22.32 uur voerde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) opnieuw een telefoongesprek met [betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ). Dat gesprek is hieronder gedeeltelijk weergegeven.
Op 21 december 2020 om 23.15 uur stuurde [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 1] ) via WhatsApp het volgende bericht naar [betrokkene 1] (* [telefoonnummer 3] ).
Op 22 december 2020 om 01.27 uur is [medeverdachte 8] aangehouden.
Op 22 december 2020 om 02.30 uur is [betrokkene 1] aangehouden.
Tussenconclusie
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 8] op 21 december 2020 heeft geprobeerd [betrokkene 1] te bewegen tot het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Deze conclusie is gebaseerd op het volgende.
[medeverdachte 8] had in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020 deelgenomen aan vijf woningaanslagen die deel uitmaakten van een poging tot afpersing van [benadeelde] . De aanslag vond telkens plaats ofwel op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [A] ofwel op het woonadres van een dochter van [benadeelde] .
Op 21 december 2020 om 13.33 uur selecteerde [medeverdachte 8] in Google Maps liet adres [a-straat 1] in [plaats] , waar toen een dochter van [benadeelde] woonde.
Ongeveer een kwartier later voerde [medeverdachte 8] een telefoongesprek met [betrokkene 1] waarin besproken werd dat [betrokkene 1] tegen betaling een opdracht zou uitvoeren waarvoor [medeverdachte 8] ‘die dingen’ en het adres nog zou verstrekken aan [betrokkene 1] . Later in dat gesprek werd duidelijk dat het ging om een adres in [plaats] . [betrokkene 1] vroeg aan [medeverdachte 8] wat hij precies wilde, waarbij [betrokkene 1] vroeg of [medeverdachte 8] wilde dat een molotovcocktail zou worden gebruikt (‘wat wilde je, molotov, wat was het?'). [medeverdachte 8] antwoordde later precies te zullen uitleggen wat de opdracht inhoudt. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 1] weliswaar nog niet precies wist wat de opdracht inhield, maar op basis van wat hij wel wist de opdracht kennelijk associeerde met het gebruik van een molotovcocktail.
Ruim een uur na het gesprek met [betrokkene 1] voerde [medeverdachte 8] een telefoongesprek met [betrokkene 2] , met wie [medeverdachte 8] op 5 oktober 2020 een woningaanslag had gepleegd op een adres dat voorkomt op de personeelslijst van [A] . [betrokkene 2] zei in dat gesprek nog beschikbaar te zijn (‘ik kan nog he’), waarop [medeverdachte 8] antwoordde dat hij al iets anders had geregeld (‘ja maar ik heb anders'). Kort daarna zei [betrokkene 2] dat [medeverdachte 8] aan een derde (‘hem’) kan doorgeven dat daar om drie uur ’s nachts het raam openstond en dat daar toen mensen binnen waren. Een dag eerder (op 20 december 2020) was [betrokkene 2] , die in [plaats] woonde, tussen 02.16 en 02.53 uur vanuit [plaats] op en neer geweest naar [plaats] , waarbij [betrokkene 2] om 02.37 uur in het dekkingsgebied was van een zendmast die hemelsbreed ongeveer 574 meter verwijderd was van het adres [a-straat 1] .
In datzelfde telefoongesprek spraken [medeverdachte 8] en [betrokkene 2] over verstopte ‘dingen' in een tas bij een boom. Het hof leidt hieruit af dat het ging om voorwerpen die verstopt waren op een plek waar ook andere mensen toegang toe hadden. Datzelfde geldt voor voorwerpen waarover [medeverdachte 8] op 20 november 2020 sprak met [verdachte] . Uit dat gesprek blijkt namelijk dat andere mensen die voorwerpen (bijna) hadden meegenomen. In dat gesprek viel het woord ‘cobra', wat er naar het oordeel van het hof op duidt dat het ging over illegaal zwaar vuurwerk. Daar komt bij dat [getuige] over de vijf woningaanslagen die hij en [medeverdachte 8] hebben gepleegd in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020 heeft verklaard dat de shells van [verdachte] kwamen en dat het alle keren zo ging dat [verdachte] de shell aan [medeverdachte 8] gaf.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte 8] bezig was met het organiseren van een woningaanslag op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Zowel het gesprek met [betrokkene 1] als het gesprek met [betrokkene 2] ging daarover. [betrokkene 2] had tijdens de nacht van 20 december 2020 een verkenning gedaan bij de plaats van het beoogde misdrijf en deelde zijn bevindingen met [medeverdachte 8] met de suggestie dat [medeverdachte 8] die zou doorgeven aan de beoogde uitvoerder. De ‘dingen' waarover [medeverdachte 8] met [betrokkene 2] sprak, betroffen het explosief dat voor die aanslag zou worden gebruikt. [betrokkene 1] zou de aanslag uitvoeren, in ruil voor een financiële beloning. [medeverdachte 8] was van plan [betrokkene 1] nog het adres te verstrekken waar de aanslag moest plaatsvinden en het explosief waarmee de aanslag moest worden gepleegd. De aanslag is voorkomen doordat [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] tijdens de nacht van 22 december 2020 zijn aangehouden.
Mede gelet op de opmerking van [medeverdachte 8] dat het niet hoeft als die mensen beneden zijn en omdat het hof niet kan vaststellen wat voor explosief zou worden gebruikt en waar het explosief tot ontploffing had moeten komen, acht het hof niet bewezen dat door de ontploffing levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de (eventuele) aanwezigen in de woning. Het hof concludeert wel dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn geweest.
Verder concludeert het hof dat [medeverdachte 8] bij de poging tot het uitlokken van de ontploffing nauw en bewust heeft samengewerkt met [verdachte] . Dit leidt het hof af uit het volgende. [verdachte] en [medeverdachte 8] voerden om 20.33 uur een telefoongesprek waarin [verdachte] vroeg of [medeverdachte 8] nog meer wist, waarop [medeverdachte 8] antwoordde dat hij net contact had gehad met iemand (‘geconnect’), dat diegene misschien iets later zou zijn maar wel heeft laten weten dat hij komt en dat [medeverdachte 8] desnoods iemand anders stuurt. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] en [medeverdachte 8] overlegden omdat ze op zoek waren naar iemand om een opdracht uit te voeren. Het antwoord van [medeverdachte 8] , dat de persoon die hij op het oog heeft misschien iets later is, sluit aan bij het contact dat [medeverdachte 8] daarvoor had gehad met [betrokkene 1] , die vertelde dat hij eerst nog naar [plaats] moest. Daarna vond via WhatsApp een berichtenwisseling plaats tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] waaruit blijkt dat nog naar een ‘driver’ (het hof begrijpt: chauffeur) werd gezocht. Vervolgens zei [verdachte] om 22.20 uur tegen [medeverdachte 8] dat hij ( [verdachte] ) iets voor [medeverdachte 8] had geregeld. Vervolgens liet [medeverdachte 8] om 23.15 uur aan [betrokkene 1] weten dat het al wordt gefixt. Het hof leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] en [medeverdachte 8] samen bezig waren mensen te werven voor de beoogde aanslag op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen wat [getuige] in verband met de woningaanslagen waaraan hij zelf heeft deelgenomen (in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 4 november 2020) heeft verklaard over de samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] , namelijk dat de adressen liepen van [medeverdachte 2] ) via [verdachte] ( [verdachte] ) naar [medeverdachte 8] en dat het alle keren zo ging dat [verdachte] de shell aan [medeverdachte 8] gaf.
4.3.7
4.3.7Rol [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat [verdachte] als (mede)uitlokker verantwoordelijk is voor de hierboven genoemde woningaanslagen (inclusief de verijdelde woningaanslag die moest plaatsvinden op de [a-straat 1] in [plaats] ). Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
In hef algemeen
[getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] de opdrachten aan [verdachte] gaf. [verdachte] gaf deze dan door aan [medeverdachte 8] of andere jongens en die zorgden ervoor dat het (neerleggen van shells bij deuren) gebeurde. [verdachte] was de schakel tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] . De uitvoerders kregen betaald door [verdachte] . Als er vragen waren over de uitvoering of de plek dan moest [verdachte] dat eerst aan zijn broer vragen, hij nam nooit zelf beslissingen. ‘Ze’ hadden altijd al die lijst van die 'blunder' (het hof begrijp dat hiermee wordt gedoeld op de werknemers!ijst van [A] ). De werknemerslijst van [A] is in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] in de bovenste lade van het tv-meubel in de woonkamer aangetroffen. Deze lijst lag tussen andere post waarvan een deel aan [verdachte] was geadresseerd. Op die lijst zijn een vingerafdruk van [verdachte] en negen
vingerafdrukken van [medeverdachte 2] aangetroffen. [medeverdachte 8] kreeg de adressen (op een papiertje) en de shells van [verdachte] . De shells werden gegeven bij de [winkel] in [plaats] en zaten in een plastic zak of vuilniszak. Op de briefjes die [verdachte] aan [medeverdachte 8] gaf zag [getuige] een straatnaam en nummer staan. [medeverdachte 8] moest dat onthouden en daarna werd het briefje door [verdachte] verbrand. Hij is daar vijf/zes keer bij geweest en drie/vier keer resulteerde het in een aanslag, waaronder in [plaats] en [plaats] .
[c-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] en [betrokkene 2] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij zou daarvoor € 150,- krijgen. [medeverdachte 8] had het adres en de shell bij zich. Die kwamen via [verdachte] . Dit was de eerste aanslag die hij deed tegen [A] . De telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 8] stralen op 4 oktober 2020 om 23:18 uur beide een zendmast aan op de [adres 2] in [plaats] .
[d-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij heeft gereden en zou hiervoor € 150,- krijgen. Hij heeft gezien dat [medeverdachte 8] van [verdachte] een briefje kreeg met daarop het adres [d-straat] . Dat was bij de [winkel] in [plaats] . De telefoon van [verdachte] straalt op 7 oktober om 23:23 uur de zendmast [adres 2] in [plaats] aan. De telefoon van [medeverdachte 8] straalt om 23:16 uur de zendmast [adres 3] in [plaats] aan. De telefoon van [getuige] straalt eerder die avond om 20:54 uur ook een zendmast aan de [adres 2] in [plaats] aan.
[e-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] bij deze aanslag betrokken is geweest. De opdrachten kwamen van [verdachte] en gingen door naar [medeverdachte 8] . [getuige] heeft kort vóór en na de aanslag telefonisch contact gehad met [verdachte] .
[f-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] betrokken is geweest bij deze aanslag. Hij wist dat hier een werknemer van [benadeelde] woonde. [verdachte] fungeerde weer als doorgeefluik.95 De telefoon van [verdachte] straalt op 27 oktober 2020 om 23:16 uur een mast aan op de [adres 2] in [plaats] . De telefoon van [getuige] straalt kort daarvóór (om 22:58 uur) ook een mast aan op de [adres 2] in [plaats] . De telefoon van [medeverdachte 8] straalt om 23:02 uur de zendmast [adres 3] in [plaats] aan.
[g-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] bij deze aanslag is betrokken. Ze kregen de opdracht diezelfde avond. [verdachte] gaf een briefje met het adres aan [medeverdachte 8] . De shell hadden ze nog van de vorige keer.
[a-straat 1] [plaats]
[getuige] heeft verklaard dat de shells van [verdachte] kwamen en dat het bij alle aanslagen (waaraan [getuige] heeft deelgenomen) zo ging dat [verdachte] de shell aan [medeverdachte 8] gaf. Uit telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 8] volgt dat [verdachte] wist waar hij de voorwerpen moest neerleggen, namelijk precies waar ze (dat) altijd doen, bij die ghettoplek. Daarnaast hebben [verdachte] en [medeverdachte 8] op 21 december 2020 verschillende telefoongesprekken gevoerd waaruit is af te leiden dat ze op zoek waren naar iemand om de opdracht uit te voeren, waarbij [verdachte] uiteindelijk aan [medeverdachte 8] heeft laten weten dat het al gefixt wordt.
Uitlokking
Uit het voorgaande leidt het hof af dat degenen die het gronddelict hebben gepleegd niet reeds zelf van plan waren deze feiten te begaan, aangezien sprake was van opdrachten die vanuit [medeverdachte 2] via verdachte naar [medeverdachte 8] of andere personen gingen. De aanslagen waren onderdeel van een doordachte afpersing van [A] . De adressen waar de aanslagen moesten worden gepleegd, waren afkomstig van de lijst met namen van (ex-)werknemers van [A] die in een la in het (ouderlijk) huis van verdachte is aangetroffen en waarop ook een vingerafdruk van hem is aangetroffen. Verdachte heeft door het geven van inlichtingen (het (door)geven van opdrachten en het verstrekken van adressen) en middelen (de shells), bij zijn medeverdachten telkens het wilsbesluit gewekt om deze ontploffingen teweeg te brengen.
De verklaring van [getuige] over de ontmoetingen tussen verdachte en de uitvoerders wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door verschillende locatiegegevens van de telefoons van verdachte en de uitvoerders voorafgaand aan de aanslagen. Bovendien wordt de verklaring van [getuige] als geheel bevestigd in de bewijsmiddelen die hiervoor onder de afzonderlijke aanslagen zijn weergegeven. Aldus vindt de verklaring van [getuige] over de woningaanslagen en de rol van verdachte steun in meerdere objectieve bewijsmiddelen. Van unus testis, zoals door de verdediging is aangevoerd, is dan ook geen sprake.
Verdachte is degene geweest die zijn medeverdachten heeft benaderd of heeft laten benaderen met het plan om ontploffingen teweeg te brengen (na)bij de woningen van (ex)werknemers van [A] . Verdachte is ook degene geweest die daarvoor giften (geld) en beloften in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarnaast werd na de uitvoering van het plan een terugkoppeling gegeven aan verdachte. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de rol van verdachte ten aanzien van bovengenoemde feiten dient te worden aangemerkt als die van uitlokker. Voorts is ook aan de overige vereisten voor strafbare uitlokking voldaan: de uitgelokte delicten zijn gevolgd, er zijn in de wet limitatief opgesomde uitlokkingsmiddelen gebruikt en de uitgelokten zijn strafbaar gebleken. Dat betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze ten laste gelegde feiten.
Medeplegen
Voor wat betreft het medeplegen overweegt het hof dat kan worden vastgesteld dat de uitlokking in vereniging is begaan gelet op de duidelijke rolverdeling tussen verdachte en [medeverdachte 2] . Beiden waren in het bezit van de werknemers!ijst van [A] . [medeverdachte 2] wist het adres van een dochter van [benadeelde] in [plaats] te achterhalen. [medeverdachte 2] was de opdrachtgever van de aanslagen op de (ex-)medewerkers van [A] , en verdachte was daarbij zijn rechterhand. [medeverdachte 2] had geen direct contact met de uitvoerders, dat deed verdachte. Verdachte is daarmee telkens een onmisbare schakel bij het ten laste gelegde geweest. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit het gezamenlijk vormgeven van het plan. De enkele omstandigheid dat - zoals door de verdediging naar voren is gebracht - de persoonlijke relatie tussen verdachte en [medeverdachte 2] niet zonder meer gelijkwaardig was, maakt deze conclusie niet anders.
4.3.8.
4.3.8.Conclusies
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte de (mede)uitlokker is geweest van zowel de (voltooide) woningaanslagen van 5, 8, 11 en 28 oktober 2020 en 4 november 2020 als van de (tweede) verijdelde woningaanslag aan de [a-straat] in [plaats] . Wat betreft de precieze betrokkenheid van [verdachte] komt het hof tot de volgende conclusies.
- Cluster 1 (uitvoerders: onder meer [medeverdachte 8] )
Wat betreft de (voltooide) woningaanslagen van 5, 8, 11 en 28 oktober 2020 en 4 november 2020 concludeert het hof dat verdachte die aanslagen samen met [medeverdachte 2] heeft uitgelokt. Naar het oordeel van het hof was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] . Daarbij was [medeverdachte 2] telkens de initiatiefnemer en degene die bepaalde op welk adres de aanslag moest worden gepleegd. Verdachte zorgde daarna voor de aansturing van de uitvoerders, onder meer door het adres en de mortierbom aan [medeverdachte 8] te verstrekken.
Wat betreft de verijdelde woningaanslag in [plaats] (activiteiten van 20 en 21 december 2020) concludeert het hof dat [medeverdachte 2] , verdachte en [medeverdachte 8] hebben geprobeerd om [betrokkene 1] te bewegen tot het teweegbrengen van een ontploffing bij de woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] . [medeverdachte 2] was de initiatiefnemer, beschikte over het adres en verdachte en [medeverdachte 8] gingen op zoek naar uitvoerders (waaronder een chauffeur) en zorgden ervoor dat die uitvoerders zouden komen te beschikken over explosieven waarmee de aanslag zou kunnen worden gepleegd.”
4.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat medeverdachte [getuige] over feiten waaraan [getuige] heeft deelgenomen, heeft verklaard dat de verdachte ‘de shell’ aan [medeverdachte 8] heeft gegeven – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – niet redengevend of voldoende is om te bewijzen dat de verdachte ook in deze zaak ‘de shell’ heeft geleverd.
4.5
De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van het uitlokken van een vijftal woningaanslagen en een poging tot een zesde. Tegen de veroordeling voor de poging tot het uitlokken van de zesde aanslag (op het adres [a-straat 1] te [plaats] op 20-21 december 2020) wordt in cassatie opgekomen. Uit de bewijsvoering die ten grondslag ligt aan de veroordeling van de verdachte voor de vijf voltooide woningaanslagen blijkt (met name uit de verklaringen van medeverdachte [getuige] ) dat [medeverdachte 2] steeds opdrachten heeft gegeven aan de verdachte, die deze op zijn beurt doorgaf aan [medeverdachte 8] en anderen. De verdachte heeft de uitvoerders hier steeds voor betaald. In de ouderlijke woning van de verdachte is een lijst van (ex-)werknemers van [A] ( [A] ) aangetroffen waarop ook de vingerafdruk van de verdachte en de vingerafdrukken van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen. [medeverdachte 8] kreeg steeds de adressen op een papiertje van de verdachte en moest deze dan onthouden, waarna het papiertje werd verbrand door de verdachte. Ook de shells werden door de verdachte aan [medeverdachte 8] gegeven.
4.6
Bij de laatste en verijdelde aanslag was [getuige] echter niet betrokken. Het hof heeft desalniettemin geoordeeld dat ook de poging tot deze aanslag is uitgelokt door de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] ). Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat op 21 december 2020 op de telefoon van [medeverdachte 8] het adres [a-straat 1] is ingevoerd (het adres van de dochter van degene die werd afgeperst, te weten [benadeelde] ). Voorts blijkt uit de door het hof tot het bewijs gebezigde tapgesprekken dat [medeverdachte 8] iets later met [betrokkene 1] een telefoongesprek heeft gevoerd. In dat gesprek geeft [medeverdachte 8] aan dat hij een adres aan [betrokkene 1] zal geven en wordt gesproken over een betaling die zal volgen. Verder vraagt [betrokkene 1] wat er precies moet gebeuren en noemt hij vragenderwijs Molotovcocktails, waarop [medeverdachte 8] antwoordt dat hij het hem zo precies gaat uitleggen en dat hij iets gaat klaarleggen voor [betrokkene 1] . Ongeveer een uur later belt [medeverdachte 8] met [betrokkene 2] , met wie hij een eerdere aanslag (van 5 oktober) heeft gepleegd. In dat gesprek wordt gesproken over dingen die bij de [winkel] zouden moeten liggen (DP: kennelijk de shells). [betrokkene 2] geeft aan dat hij nog kan, waarop door [medeverdachte 8] wordt geantwoord dat hij al “anders” heeft (kennelijk iemand anders, D.P.). Ook wordt door [betrokkene 2] gerelateerd dat “een raam” openstond en dat hij om 3 uur ’s nachts nog mensen heeft aangetroffen. De telecomgegevens van [betrokkene 2] geven aan dat hij rond half drie de nacht ervoor zich binnen een kilometer van de [a-straat 1] bevond. Hieruit leidt het hof af dat hij de dag voor de beoogde aanslag een voorverkenning heeft gedaan. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medeverdachte 8] bezig was met het organiseren van een woningaanslag.
4.7
[medeverdachte 8] heeft bij het voorbereiden van deze aanslag volgens het hof nauw en bewust samengewerkt met de verdachte. Op 21 december 2020 omstreeks half negen ‘s avonds heeft de verdachte gebeld met [medeverdachte 8] waarin de eerstgenoemde vraagt of hij al meer weet, waarop [medeverdachte 8] antwoordt dat hij “net” iemand heeft “geconnect”, dat diegene misschien iets later zal zijn, maar wel heeft laten weten dat hij komt en dat [medeverdachte 8] desnoods iemand anders stuurt. De verdachte stemt daarmee in. Het hof heeft hieruit afgeleid dat het overleg ging over het vinden van iemand die een opdracht moest uitvoeren. Dat [medeverdachte 8] antwoordt dat de persoon die hij op het oog heeft misschien iets later is, sluit aan bij het contact dat [medeverdachte 8] daarvoor (omstreeks zeven uur ’s avonds) heeft gehad met [betrokkene 1] , die vertelde dat hij eerst nog naar [plaats] moest. Tussen kwart over negen en tien uur vindt vervolgens een berichtenwissel plaats tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] waarin wordt gesproken over het vinden van een driver en de vergoeding die zal worden uitgekeerd. Vervolgens (om tien voor half 11 ’s avonds) heeft er weer een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de verdachte en [medeverdachte 8] waarin de eerstgenoemde zegt dat hij iets heeft geregeld en op ‘Snap’ moet komen. Even later vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] vraagt wat er met die ‘dinges’ moet gebeuren en hoe laat. Daarop antwoordt [medeverdachte 8] dat het vandaag moet gebeuren. Voorts wordt over geld gesproken en of de mensen thuis zijn. Even later stuurt [medeverdachte 8] aan [betrokkene 1] een Whatsapp-bericht waarin wordt gerelateerd dat het al wordt ‘gefixt’.
4.8
Het hof heeft uit het voorgaande wat mij betreft niet onbegrijpelijk afgeleid dat [medeverdachte 8] bezig was met het organiseren van een woningaanslag op het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat hij daarbij nauw en bewust samen heeft gewerkt met de verdachte. Uit de tapgesprekken, zoals hiervoor weergegeven en besproken, in hun onderlinge samenhang bezien, kon het hof afleiden dat de verdachte en [medeverdachte 8] bezig waren met het uitlokken van personen om een woningaanslag te plegen en in dat kader onderling contact hielden om tussentijds te overleggen. Dat het hof hierbij heeft betrokken dat medeverdachte [getuige] over eerdere woningaanslagen waar hij zelf aan deel heeft genomen, heeft verklaard over de samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 8] , namelijk dat de adressen van [medeverdachte 2] via de verdachte aan [medeverdachte 8] werden gegeven en dat het alle keren zo ging dat de verdachte de shells aan [medeverdachte 8] gaf, acht ik niet onbegrijpelijk. Voor zover het hof met deze overweging heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat hij bij de bewezenverklaring van het feit mede redengevend heeft geacht de — uit één of meer bewijsmiddelen blijkende — omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was (een (impliciete) schakelbewijsconstructie), acht ik dit gezien de overeenkomsten tussen de bewezenverklaarde feiten evenmin onbegrijpelijk. [19] In dit verband wijs ik erop dat het opgezochte adres verband hield met iemand die een band heeft met de fruithandel, dat over dingen bij de [winkel] wordt gesproken (kennelijk de shells) en dat de communicatie net als bij eerdere aanslagen van de verdachte via [medeverdachte 8] naar anderen verliep.
4.9
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Namens de preventief gedetineerde verdachte is op 8 april 2025 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dit betekent dat de in dit geval geldende inzendtermijn van zes maanden met ongeveer twee weken is overschreden. Gezien de beperkte overschrijding van de inzendtermijn kan in beginsel worden volstaan met de constatering hiervan. [20]
5.3
Ambtshalve merk ik evenwel op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro op 8 augustus 2026 verstrijkt. Deze termijn zal naar verwacht mag worden niet worden gehaald. Afhankelijk van de mate van overschrijding, zal dit tot strafvermindering kunnen leiden. [21]

6.Slotsom

6.1
Het eerste en tweede middel falen en het derde middel is terecht voorgesteld, maar leidt op zichzelf genomen niet tot cassatie. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Voor het tweede middel ligt dit niet voor de hand, nu dit middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. [22]
6.2
Ambtshalve heb ik, naast hetgeen ik onder 5.3 heb opgemerkt, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 21-001669-22, dit arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2025:2010.
2.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
3.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr.
4.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr.
5.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
6.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
7.Zo ook B. de Wilde,
8.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
9.Een blik over de papieren muur wijst uit dat het op 18 april 2021 door de moeder van [getuige] ontvangen bericht inhoudt: “
10.Dit blijkt uit het deel van het arrest waarin het hof ingaat op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] . Ik citeer uit paragraaf 2.3 van het bestreden arrest: “Dat [getuige] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [getuige] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [getuige] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(s) van de aanslagen - voor [getuige] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [getuige] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen.”
11.EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06 (
12.EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (
13.Vgl. wat betreft videoregistratie van verhoor EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (
14.Vgl. wat betreft een deskundigenoordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring EHRM 2 april 2013, nr.
15.Zie De wilde p. 537 en EHRM 2 april 2013, nr.
16.Paragraaf 2.3 van het arrest (
17.Paragraaf 3.3.1-3.3.5. van het arrest (
18.Zie wat betreft het toetsen van de betrouwbaarheid en steunbewijs als compenserende factor EHRM 17 september 2013, nr. 23789/09
19.Vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118,
20.Vgl. HR 23 september 2025,
21.HR 26 maart 2024,
22.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,