Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste en het tweede middel
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023258626-2 van 14 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Eenheid Amsterdam [doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 8].
verklaring van de verdachte:
PHvK) door de verdachte sprake was van de betrokkenheid van een ander, terwijl daarvoor ten aanzien van het overdragen van “ditzelfde geldbedrag” wel aanknopingspunten in het procesdossier te vinden zijn. Volgens het hof heeft de verdachte immers na de contante opname van een geldbedrag van € 5.000,- naar zijn eigen verklaring € 4.500,- direct aan [betrokkene 1] overgedragen en daarbij € 500,- kennelijk als beloning zelf mogen houden. Het overige gedeelte (€ 1.100,-) heeft [betrokkene 1] vervolgens (met de telefoon van de verdachte) overgemaakt naar een ander rekeningnummer.
PHvK). Het hof sluit de bewijsoverweging ook af met de woorden “De verdachte heeft aldus het geldbedrag van € 6.100,00 voorhanden gehad en dit geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander overgedragen.” Het hof lijkt uit de verklaring van de verdachte over de opname van het geldbedrag van € 5.000,- af te leiden dat [betrokkene 1] daarbij aanwezig was en dat [betrokkene 1] (toen) de overige € 1.100,- met de telefoon van de verdachte naar een ander rekeningnummer heeft overgemaakt. Waar het hof kennelijk onvoldoende grond zag om bewezen te verklaren dat de verdachte het bedrag in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander voorhanden heeft gehad, volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte het bedrag als medepleger heeft overgedragen. In zoverre sluit de bewezenverklaring wat betreft het geldbedrag van € 5.000,- niet aan bij de bewijsvoering voor zover slechts is bewezenverklaard dat de verdachte dit bedrag dat hij als pleger voorhanden heeft gehad ook als pleger heeft overgedragen. Dat men een bedrag als pleger voorhanden heeft en dit bedrag vervolgens in een nauwe en bewuste samenwerking overdraagt is op zichzelf niet innerlijk tegenstrijdig. Dat de bewezenverklaring en de bewijsvoering in voormeld opzicht niet zuiver bij elkaar aansluiten, doet bovendien niet af aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Het bij witwassen als pleger voorhanden hebben van een bedrag geldt immers niet als zwaarder dan het als medepleger voorhanden hebben van dat bedrag, terwijl ook het tezamen en in vereniging met een ander plegen van het feit – ook als het daarbij gaat om overdragen – bij het delict witwassen geen strafverzwarende omstandigheid is. De verdachte heeft geen belang bij deze klacht nu uit de strafmotivering bovendien niet blijkt dat het volgens de bewezenverklaring enkel als pleger hebben overgedragen van € 5.000,- of het juist volgens de bewijsvoering als medepleger hebben overgedragen van dit bedrag in strafverzwarende zin een rol bij de strafoplegging heeft gespeeld. Verder is van belang dat in cassatie in het bijzonder wordt geklaagd over de ontoereikendheid van het bewijs van het medeplegen bij het overdragen van het (resterende) geldbedrag van € 1.100,-. Dat daarvan sprake is heeft het hof mijns inziens zonder meer kunnen afleiden uit de vaststellingen dat dit geldbedrag door [betrokkene 1] naar een ander rekeningnummer is overgemaakt, dat dit overmaken met de telefoon van de verdachte plaatsvond en dat dit gebeurde nadat de verdachte al het geldbedrag van € 5.000,00 van zijn rekening had gepind ten behoeve van [betrokkene 1] die daarbij aanwezig was en de verdachte € 500,- als buit had ontvangen.
4.Het derde middel
Vordering van de benadeelde partij
5.Het vierde middel
Oplegging van straf
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.