ECLI:NL:RBAMS:2005:AT3380
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering wegens onvoldoende belangenafweging bij Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 april 2005 een vordering tot overlevering van een verdachte aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens illegale handel in verdovende middelen. De verdachte, tevens Nederlander, voerde verweer tegen overlevering met argumenten over zijn gezinssituatie en mogelijke onomkeerbare schade.
De officier van justitie had de belangenafweging gemaakt dat de belangen van Oostenrijk zwaarder wegen dan die van de verdachte, maar gaf geen concrete motivering van de belangen van de verdachte. Ook ontbraken beleidsregels omtrent toepassing van artikel 13 van Pro de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging te algemeen was en dat daardoor de redelijkheid van de vordering niet naar behoren kon worden beoordeeld. Alternatieven zoals het horen van de verdachte in Nederland werden door de raadsman aangevoerd.
Gelet op het ontbreken van een gedegen motivering en het concrete betoog van de verdachte, wees de rechtbank de overlevering af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro a OLW. De detentie van de verdachte werd opgeheven en tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan Oostenrijk wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging door het OM.