ECLI:NL:HR:2006:AY6633
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 13 Overleveringswet inzake weigering overlevering wegens feiten deels in Nederland gepleegd
De zaak betreft een cassatie in het belang der wet tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de overlevering van een verdachte aan Oostenrijk weigerde op grond van artikel 13 lid 1 Overleveringswet Pro (OLW). De rechtbank had geoordeeld dat de officier van justitie (OvJ) niet in redelijkheid tot haar vordering tot afzien van de weigering kon komen, mede vanwege humanitaire redenen die de verdachte aanvoerde.
De Hoge Raad stelt dat artikel 13 OLW Pro beoogt te voorkomen dat Nederland meewerkt aan overlevering voor feiten die geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd en die volgens Nederlands recht niet vervolgd kunnen worden. De mogelijkheid voor de OvJ om af te zien van de weigering is bedoeld voor gevallen van goede rechtsbedeling, bijvoorbeeld bij samenwerking tussen lidstaten. De rechtbank heeft ten onrechte humanitaire redenen betrokken bij haar toetsing van de motivering van de OvJ, terwijl die redenen volgens de Hoge Raad niet relevant zijn voor de vraag of afgezien moet worden van de weigeringsgronden.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over een verzwaarde motiveringsplicht van de OvJ, aangezien noch de wet noch de wetsgeschiedenis dit ondersteunt. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak en stelt de juiste uitleg van artikel 13 OLW Pro vast, waarmee de overlevering niet geweigerd kan worden op humanitaire gronden en de motivering van de OvJ marginaal getoetst moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en stelt dat overlevering niet geweigerd kan worden op humanitaire gronden en dat de motivering van de OvJ marginaal getoetst moet worden.