ECLI:NL:RBAMS:2006:AY3892
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering toelating verstandelijk gehandicapte leerling tot regulier voortgezet onderwijs
Ouders van een verstandelijk gehandicapte dochter die niet verbaal kan communiceren en motorische problemen heeft, hebben hun kind aangemeld bij drie reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Alle scholen weigerden toelating omdat zij niet in staat zijn kwalitatief goed onderwijs te bieden dat aansluit bij de behoeften en het haalbare niveau van het kind, zelfs niet met extra leerlinggebonden financiering (LGF).
De ouders voerden aan dat hun dochter eigen leerdoelen heeft die niet gericht zijn op het behalen van een diploma en dat de toelatingsprocedure onterecht was gebaseerd op de Kernprocedure. De rechtbank overweegt dat de Kernprocedure ten onrechte aan het primaire besluit ten grondslag lag, maar dat het bevoegd gezag discretionair kan besluiten tot toelating en dat de rechtbank terughoudend moet toetsen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de handicaps van de dochter het onmogelijk maken het onderwijsniveau van de school te behalen en dat het bieden van passend onderwijs in klassikaal verband illusoir is. Ook met extra middelen is passend onderwijs niet realistisch. De formele klacht over het ontbreken van beleid in het schoolplan voor LGF-leerlingen leidt niet tot een gunstige beslissing.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van toelating. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van toelating tot regulier voortgezet onderwijs.