ECLI:NL:RBAMS:2006:AY3954
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering toelating verstandelijk gehandicapte leerling tot regulier voortgezet onderwijs
Ouders van een verstandelijk gehandicapte dochter die niet verbaal kan communiceren en motorische problemen heeft, hebben hun kind aangemeld bij drie reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Alle scholen weigerden toelating omdat zij, ook met extra leerlinggebonden financiering, geen kwalitatief passend onderwijs op het haalbare niveau van het kind konden bieden.
De rechtbank oordeelt dat de zwaarte van de handicap het onmogelijk maakt dat het kind het niveau van het reguliere onderwijs kan volgen en dat het bieden van op maat gemaakt onderwijs in klassikaal verband illusoir is. De inzet van extra middelen verandert hier niets aan.
De ouders voerden aan dat de school niet mocht toetsen op het behalen van een diploma en dat het schoolplan onvoldoende beleid bevatte voor LGF-leerlingen. De rechtbank wijst deze grieven af en stelt dat het bevoegd gezag een discretionaire bevoegdheid heeft om toelating te weigeren wanneer passend onderwijs niet mogelijk is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toelating tot regulier voortgezet onderwijs wordt ongegrond verklaard.