ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6036
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurder geen belanghebbende bij vergunning tot samenvoeging woningen
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal of eiseres, een huurder van een woning die betrokken was bij een samenvoegingsvergunning, als belanghebbende kon worden aangemerkt bij het besluit tot verlening van die vergunning. Verweerder had aan een derde een vergunning verleend om twee woningen samen te voegen, waarna eiseres bezwaar maakte tegen dit besluit en beroep instelde.
De rechtbank overwoog dat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De vergunning tot samenvoeging brengt geen wijziging in de woonsituatie van de huurder en eerbiedigt het woonrecht. De mogelijke belangen van eiseres worden niet rechtstreeks door het besluit geraakt, maar slechts afgeleid via haar huurovereenkomst met de verhuurder.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin is bepaald dat een contractuele relatie met de verhuurder doorgaans geen rechtstreekse betrokkenheid oplevert. Ook de artikelen 36 en 37 van de Huisvestingswet bieden volgens de rechtbank geen grond om eiseres als belanghebbende aan te merken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond en bevestigde zij het besluit van verweerder om het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Bade op 17 november 2008.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van de huurder ongegrond omdat zij geen belanghebbende is bij de vergunning tot samenvoeging.