ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6531
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tijdelijke opvang op grond van WMO wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Verzoekster heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat de gemeente Amsterdam tijdelijke opvang moet bieden voor haar en haar kinderen. Dit verzoek volgt op de afwijzing van haar aanvraag voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Verzoekster verblijft echter zonder geldige verblijfstitel in Nederland.
De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet een geldige grond vormt om het verzoek af te wijzen. Het koppelingsbeginsel, dat het verstrekken van voorzieningen koppelt aan een rechtmatige verblijfsstatus, is een algemeen leidend beginsel dat niet door artikel 20 van Pro de WMO of internationale verdragen zoals het EVRM en het IVRK kan worden doorbroken.
Verder oordeelt de rechtbank dat de WMO, in het bijzonder artikel 20, geen individuele aanspraak op opvang biedt, maar dat maatschappelijke opvang een collectieve voorziening betreft die via instellingen wordt aangeboden. Ook artikel 4 van Pro de WMO biedt geen grondslag voor het gevraagde individuele opvangverzoek. Ondanks de zorgwekkende situatie van verzoekster en haar kinderen, ontbreekt een juridische basis om de gevraagde voorziening te treffen, zodat het verzoek wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tot tijdelijke opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.