ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9849
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.H. van Benthem
- M.J. Diemer
- P. Rodenburg
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering aan Oostenrijk ondanks verweren ne bis in idem en verblijf
De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van Oostenrijk gericht op de overlevering van een Poolse verdachte verdacht van drugssmokkel en deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voerde onder meer aan dat het EAB onvoldoende was onderbouwd, dat sprake was van ne bis in idem, en dat de verdachte recht had op gelijkstelling met een Nederlander vanwege langdurig verblijf.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende feitelijke omschrijvingen bevatte, waaronder de rol van de verdachte bij het importeren van drugs in 2007. De verweren dat het ne bis in idem-beginsel en het nemo debet bis vexari-beginsel toepassing zouden vinden, werden verworpen, omdat deze beginselen niet gelden in uit- en overleveringszaken. Ook werd geoordeeld dat de verdachte niet voldeed aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander, omdat hij geen onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland had.
Verder werd het beroep op artikel 11 OLW Pro (medische toestand) afgewezen wegens onvoldoende concrete onderbouwing. De rechtbank zag geen reden om over de medische situatie vooraf inlichtingen in te winnen. Ondanks dat de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, werd op verzoek van de officier van justitie afgezien van de weigeringsgrond uit artikel 13 OLW Pro, omdat overlevering aan Oostenrijk de voorkeur geniet.
De rechtbank stond de overlevering toe en wees prejudiciële vragen af. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Oostenrijk toe.