ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9317
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Overlevering geweigerd op grond van onvoldoende ononderbroken verblijf in Nederland
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Duitse onderdaan die een vrijheidsstraf van negen maanden moet ondergaan in Duitsland. De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander op grond van artikel 6 lid 5 van Pro de Overleveringswet, omdat hij rechtmatig in Nederland verbleef sinds 1998 en daarmee niet aan de materiële voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou hoeven te voldoen.
De rechtbank onderzocht de bewijsstukken over het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland. Hoewel hij sinds 1998 in Nederland verbleef en werkte, was er een onderbreking in het verblijf tussen eind 2007 en 2009 die niet met voldoende concrete stukken kon worden onderbouwd. Ook ontbrak een inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie voor een deel van de periode. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Omdat niet aan deze materiële voorwaarde werd voldaan, kwam de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het rechtsmachtvereiste. Het verweer dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander werd verworpen. De rechtbank stond de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Duitsland.
De uitspraak werd gedaan door mr. S.A. Krenning, mr. C.W. Inden en mr. I.V. Ottens op 18 november 2011. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe wegens onvoldoende bewijs van ononderbroken verblijf in Nederland.