ECLI:NL:RBAMS:2012:BV9845
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigde betaling na vernietiging hoger beroep in aansprakelijkheidszaak
De erven van de overleden heer [eiser] vorderen terugbetaling van een bedrag dat zij onverschuldigd aan VHB hebben betaald naar aanleiding van een eerder vonnis dat in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam is vernietigd. VHB had in eerste aanleg als lasthebber van de lastgevers een procedure gevoerd tegen de erven, waarbij zij tot betaling werden veroordeeld. Na vernietiging van dat vonnis door het hof is komen vast te staan dat de erven een deel van het betaalde bedrag onverschuldigd hebben voldaan.
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot terugbetaling moet worden ingesteld tegen VHB als bevoegde vertegenwoordiger die in eigen naam maar voor rekening van de lastgevers heeft ontvangen. Het doet niet ter zake in wiens vermogen de betaling uiteindelijk is terechtgekomen. De vordering tot betaling van wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van voldoening aan het vonnis, maar niet de handelsrente omdat de vordering is gebaseerd op onverschuldigde betaling.
De vordering van de erven tot verklaring dat zij niets meer verschuldigd zijn aan VHB wordt afgewezen, omdat het gerechtshof [A] en de kinderen van [eiser] aansprakelijk heeft gesteld voor de schade. De buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen. In reconventie vordert VHB vereffening van de schade via een schadestaatprocedure, maar de rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Utrecht.
De rechtbank veroordeelt VHB tot terugbetaling van € 20.251,51 plus wettelijke rente en proceskosten, en verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: VHB wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 20.251,51 plus wettelijke rente en proceskosten; schadestaatprocedure wordt verwezen naar rechtbank Utrecht.