ECLI:NL:RBAMS:2012:BY8895
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.A. van Eijk
- P.B. Martens
- H.J. Bunjes
- Rechtspraak.nl
Bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voor medeplegen steunfraude voldoet aan wettelijke eisen
De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaarschrift van een veroordeelde tegen het bevel tot DNA-afname dat was gegeven op grond van een veroordeling voor medeplegen van steunfraude. De afname van celmateriaal vond plaats binnen de wettelijke termijn en het bevel was gebaseerd op een geldige veroordeling. De verdediging voerde aan dat het delict geen DNA-onderzoek rechtvaardigt en dat de officier van justitie niet voortvarend had gehandeld bij het uitvaardigen van het bevel.
De rechtbank hanteerde het toetsingskader van de Hoge Raad, die stelt dat DNA-afname bij veroordeelden voor misdrijven genoemd in artikel 67 lid 1 Sv Pro standaard plaatsvindt, tenzij uitzonderingen zich voordoen. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf van de veroordeelde binnen deze categorie valt en dat DNA-onderzoek relevant kan zijn voor de opsporing en vervolging, mede omdat het misdrijf betrekking heeft op het verzwijgen van de woonplaats.
De rechtbank verwierp het verweer dat de acht maanden tussen veroordeling en bevel tot afname onredelijk was, en ook het argument dat de veroordeelde als first offender en zonder recidivegevaar een uitzondering zou rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat het bevel voldoet aan de wettelijke eisen en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname ongegrond.