Conclusie
4.De bestreden beschikking
5.Tegenstrijdige beslissingen
6.De wettelijke regeling
7.Standpuntbepaling
8.Het cassatiemiddel
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, en/of verzuim van vormen, doordat de rechtbank in haar onder 4.2 weergegeven overwegingen het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel ongegrond heeft verklaard omdat de veroordeelde door het tijdsverloop waarvan in deze zaak sprake is, niet in zijn belangen zou zijn geschaad. Door aldus te oordelen heeft de rechtbank miskend dat het mede in het belang van de veroordeelde is (in het bijzonder diens belang bij rechtsgelijkheid en rechtszekerheid) dat het in art. 2 lid 1 Wet Pro DNA bedoelde bevel zo spoedig mogelijk wordt gegeven en/of dat de belangen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid in geval van een tijdsverloop als hiervoor bedoeld in beginsel zwaarder dienen te wegen dan het belang van de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde en/of dat in geval van een verzuim als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, gegrondverklaring van het bezwaarschrift in beginsel aangewezen is aangezien deze sanctie bevordert dat de officier van justitie de wet in toekomstige gevallen nauwgezet naleeft. De beslissing van de rechtbank is in elk geval, in het bijzonder gelet op de genoemde belangen van rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en adequate sanctionering van vormverzuimen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.