Op 8 oktober 2010 vond een incident plaats waarbij een minderjarige verdachte een telefoon van een ander heeft weggenomen onder bedreiging met een mes. Verdachte werd op 26 oktober 2010 gehoord door de politie. De zaak kwam pas op 2 april 2013 voor de rechtbank, wat een overschrijding van de redelijke termijn van 16 maanden betekent, namelijk 29 maanden.
De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens deze overschrijding, met het oog op het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht. Het OM erkende het tijdsverloop, maar verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin wordt gesteld dat overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot strafvermindering.
De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden de overschrijding rechtvaardigen en dat het pedagogische effect van vervolging verloren is gegaan, mede gelet op de positieve ontwikkeling van de verdachte en het IVRK. Daarom verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk. Verdachte stond tevens terecht voor een latere straatroof, die bekend werd.
De rechtbank benadrukte het belang van een snelle en doeltreffende strafrechtelijke reactie bij jeugdigen en verwees naar de Kalsbeeknormen. Het arrest bevestigt dat bij forse overschrijding en verlies van pedagogisch effect vervolging niet langer gerechtvaardigd is.