Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
1.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
chronologischevolgorde behandelen. Daarbij zal zij voor de leesbaarheid van het vonnis per feit de verweren bespreken.
feiten 5(voorhanden hebben vuurwapen en patronen),
6, 7 en 8(bedreigingen en belediging van [persoon 6]) kunnen gelet op de verschillende proces-verbalen en de in het requisitoir genoemde getuigenverklaringen bewezen worden verklaard.
feit 1 primair(schietpartij Bijlmerplein) en
feit 2(schietpartij Bijlmerdreef) kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd opzettelijk en met voorbedachte raad [persoon 1] en politieambtenaar [persoon 2] van het leven te beroven.
feit 4kan de poging tot zware mishandeling op [persoon 5] worden bewezen.
feit 3(schietpartij binnentuin Kneppelweg) is bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om opzettelijk en met voorbedachte raad de politieambtenaren [persoon 3] en [persoon 4] van het leven te beroven.
- vrijgesproken dient te worden van
- vrijgesproken dient te worden
- vrijgesproken dient te worden van
- ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor
- ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor
- ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging voor
- vrijgesproken dient te worden voor
- Vrijgesproken dient te worden voor
feiten 5(voorhanden hebben wapen en patronen) en
7(belediging van [persoon 6]).
1 primair, 2, 3, 4, 5,7 en 8ten laste gelegde heeft begaan, zoals beschreven in rubriek 5.
26 maart 2012 een geladen vuurwapen en een extra gevulde patroonhouder bij zich droeg. Na de confrontatie met [persoon 6] en [persoon 8] in café [naam A] is verdachte richting de trap naar de Bijlmerdreef gelopen. Uit de bij de politie afgelegde getuigenverklaringen van [persoon 1] en [persoon 9], zoals weergegeven in de bewijsmiddelen, alsook verdachtes verklaring ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte werd tijdens de wandeling van café [naam A] naar de trap achterna gelopen door [persoon 1] en twee anderen. Verdachte gaf aan dat hij met rust gelaten wilde worden en waarschuwde met de woorden: ‘beter voor jou teruggaan’ en ‘ga terug naar de zaak’ en ‘ik zeg je nog één keer, ga terug naar de zaak’, althans woorden van die strekking. [persoon 1] bleef hem echter aanspreken en vragen wat er in het café was gebeurd. Verdachte heeft zich vervolgens omgedraaid, zijn vuurwapen gepakt en tegen [persoon 1] gezegd: ‘Ik zei toch dat het beter was terug gaan’, waarna hij met het vuurwapen een schot afvuurde richting het hoofd van [persoon 1]. Uit deze verklaringen en de aaneenschakeling van gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat verdachte zich, vanaf de eerste keer dat hij tegen [persoon 1] zei dat beter was terug te gaan naar zijn zaak tot het moment waarop hij zijn wapen pakte en [persoon 1] vervolgens toevoegde ‘Ik zei toch dat het beter was terug te gaan’, heeft kunnen beraden over een te nemen besluit in het geval [persoon 1] niet terug zou keren naar zijn zaak.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
7.Motivering van de straffen en maatregelen
- 1 STK Glas
- 1 glas uit rood krat onder bar, 1 fles (4267177 en 4267178)
- 1 STK Schoeisel Kl:Zwart (4267576)
- 1 STK Shirt Kl:Wit (4267580)
- 1 STK Schoeisel Kl:Zwart (4267589)
- 1 STK Shirt Kl:Wit (4267596)
- 2 STK Sok Kl:Zwart (4267598)
- 1 STK Broek Kl:Blauw (4267601)
- 1 STK Ondergoed Kl:Groen (4267602)
- 1 STK Jas Kl:Zwart (4267618)
- 1 STK Munitie, Kogelpunt / Schotresten (4272369)
- 1 STK Doos Kl:zwart, BERETTA (4277992) doos van Beretta
- 1 STK Agenda (4277962)
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstraf van 20 (twintig) jaar.
[persoon 1], wonende op het adres [adres 1] te [plaats] toe tot een bedrag van € 63.928,30 (drieënzestigduizend negenhonderdachtentwintig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[persoon 3], domicilie kiezende op Postbus 2287, 1000 CG te Amsterdam, toe tot een bedrag van € 7.000,- (zegge: zevenduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.