Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
(blz. 71-72 van het proces-verbaal van politie met nr. PL1514 2010121717 (hierna: het proces-verbaal));
3.Slotsom
4.Beslissing
17 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 13 juni 2010 te 's-Gravenhage met een luchtbuks een persoon zwaar lichamelijk letsel toebracht door gericht te schieten op het hoofd van het slachtoffer. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad handelde, waarbij hij na kalm beraad en rustig overleg schoot.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, een getuige die het schot zag en hoorde, de verdachte zelf, medische rapporten en politieprocessen-verbaal over het aangetroffen wapen. Het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer en getuige betrouwbaar en concludeerde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor voorbedachte raad, waarbij nadrukkelijk wordt gesteld dat de rechter de motivering van de bewezenverklaring omtrent voorbedachte raad zorgvuldig moet onderbouwen, vooral bij contra-indicaties. Gelet op deze maatstaf oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van voorbedachte raad.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het oordeel over voorbedachte raad betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het oordeel over voorbedachte raad betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.