Eiser kreeg op 18 april 2012 een bestuurlijke boete van €12.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het aantreffen van drie vreemdelingen die zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten in een pand te Amsterdam. Eiser betwistte de juistheid van het boeterapport en het rechtmatig binnentreden van het pand, alsmede discriminatoir optreden door inspecteurs.
De rechtbank oordeelde dat het boeterapport, op ambtsbelofte opgemaakt, als juist moet worden aangenomen, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden aannam die dit in twijfel konden trekken. De rechtbank vond dat de inspecteurs rechtmatig het pand betraden, omdat zij vooraf werkzaamheden konden waarnemen en het pand niet als woning werd gebruikt. De stelling van eiser dat het pand deels bewoond was, was onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat er geen sprake was van discriminatie bij de controle, mede gelet op het onderzoek van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vast stond dat de vreemdelingen werkzaamheden verrichtten zonder vergunning, wat verboden is volgens de Wav. Eiser had geen controle uitgevoerd om de overtreding te voorkomen en kon daarom geen beroep doen op afwezigheid van verwijtbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.