ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0428
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag werknemer wegens alcoholgebruik niet tijdig en onverwijld door werkgever beëindigd
De werknemer was sinds 1992 in dienst en had vanaf 2000 problemen met drankgebruik, wat leidde tot waarschuwingen en een voorwaardelijk strafontslag in 2008. Na een aanhouding wegens rijden onder invloed in 2009 volgde een schorsing en een laatste kans om behandeling te ondergaan. De werknemer weigerde hulp en werd in november 2010 ontslagen wegens overtreding van de voorwaarden.
Verweerder kende de werknemer een WW-uitkering toe, maar eiser stelde dat sprake was van verwijtbare werkloosheid wegens dringende reden voor ontslag. De rechtbank toetste of de werkgever onverwijld had gehandeld na ontdekking van de overtredingen. Uit de feiten bleek dat de werkgever pas maanden na de eerste signalen actie ondernam en ook na het incident in september 2010 te laat reageerde.
De rechtbank concludeerde dat de subjectieve dringende reden ontbrak omdat de werkgever niet snel genoeg handelde, waardoor het ontslag niet als dringende reden kon worden aangemerkt. Daarom was geen sprake van verwijtbare werkloosheid en werd het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de WW-uitkering is ongegrond verklaard omdat het ontslag geen arbeidsrechtelijke dringende reden bevatte.