ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1389
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering opvolgend werkgeverschap na doorstart failliete onderneming
Eiseres was bij Confesso BV in dienst toen deze failliet werd verklaard. TMI BV nam een doorstart van de onderneming voor de ambulancedienst en bood eiseres een nieuw jaarcontract aan. Eiseres stelde dat TMI BV als opvolgend werkgever moest worden beschouwd op grond van artikel 7:668a BW, waardoor haar arbeidsovereenkomst niet zou eindigen na het jaar.
TMI BV betwistte dit en stelde dat zij en Confesso BV slechts concurrenten waren, dat er geen onderhandelingen over een doorstart waren geweest voorafgaand aan het faillissement, en dat zij pas na het aanbod inzage kreeg in het personeelsdossier van eiseres. Ook werden geen sollicitatiegesprekken gevoerd voorafgaand aan het aanbod.
De kantonrechter toetste aan de criteria van de Hoge Raad (arresten mei 2012) en oordeelde dat weliswaar aan het eerste criterium was voldaan (gelijke vaardigheden en verantwoordelijkheden), maar dat het tweede criterium (band tussen oude en nieuwe werkgever zodat kennis van werknemer wordt toegerekend) voorshands onvoldoende aannemelijk was gemaakt.
Daarom werd de vordering van eiseres afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak betreft een voorlopig oordeel in kort geding, waarbij nader feitenonderzoek noodzakelijk is voor de bodemprocedure.
Uitkomst: De vordering tot erkenning van opvolgend werkgeverschap en voortzetting van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.