ECLI:NL:RBAMS:2013:CA4013
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter wegens ontbreken kwalitatieve aansprakelijkheid UBS
In deze zaak staat centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tegen UBS AG op grond van kwalitatieve aansprakelijkheid volgens artikel 6:171 BW Pro. Eiseres [A] stelt dat UBS aansprakelijk is voor fouten van [B], die vermogensbeheer voor haar uitvoerde. UBS betwist dit en voert aan dat [B] onafhankelijk en in eigen naam handelde.
De rechtbank onderzoekt de raamovereenkomst tussen UBS en [B], waarin is vastgelegd dat [B] zijn volmachten onafhankelijk van UBS uitoefent en niet als vertegenwoordiger van UBS optreedt. Verder blijkt uit de overeenkomst dat UBS geen toezicht houdt op [B] en geen aansprakelijkheid aanvaardt voor diens beleggingsbeslissingen. Ook is vastgesteld dat [B] in opdracht van [A] handelde en niet van UBS.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van werkzaamheden die UBS ter uitoefening van haar bedrijf door [B] heeft laten verrichten, zoals vereist voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW Pro. Hierdoor ontstaat geen bevoegdheid voor de Nederlandse rechter om de vordering tegen UBS te behandelen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd en veroordeelt [A] in de proceskosten van UBS.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tegen UBS wegens het ontbreken van kwalitatieve aansprakelijkheid.