Eiser, werkzaam als beveiliger en chauffeur van vermogende en bekende personen, kreeg een alcoholslotprogramma opgelegd na een ademalcoholmeting boven de wettelijke limiet. Hij stelde dat deze maatregel een punitief karakter heeft en een criminal charge vormt, waardoor zijn arbeidscontract niet zou worden verlengd en hij zijn inkomen zou verliezen.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn werkgever het contract niet zou verlengen vanwege het alcoholslotprogramma, waardoor de maatregel een punitief karakter kreeg en als criminal charge moet worden aangemerkt. Omdat verweerder dit niet had erkend, leidde dit tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, dat daarom werd vernietigd.
Desondanks vond de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een vergelijkbare situatie verkeerde als in eerdere jurisprudentie waarbij het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. Ook was onvoldoende aangetoond dat hij de kosten van het alcoholslotprogramma niet kon voldoen. Daarom werden de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.