Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
veroordeelde,
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 december 2015 een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde, voortvloeiend uit een strafzaak waarin hij onder meer leiding gaf aan oplichting en valsheid in geschrift. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximumbedrag van ruim € 23 miljoen.
De kern van het geschil betrof de vraag of toegewezen civiele vorderingen van benadeelde derden in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, ook indien deze vorderingen nog niet daadwerkelijk zijn voldaan. De verdediging stelde dat deze vorderingen volledig in mindering moeten worden gebracht, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil komt te staan. Het Openbaar Ministerie betoogde dat alleen daadwerkelijk betaalde vorderingen in mindering mogen worden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat toepassing van de wetswijziging van 1 januari 2014 met terugwerkende kracht ten nadele van de veroordeelde zou zijn, wat niet is toegestaan. Daarom moet het oude recht worden toegepast waarbij alle in rechte toegewezen vorderingen, ongeacht betaling, in mindering komen. Gezien de omvang van deze vorderingen stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 0 en wees de ontnemingsvordering af.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam en is gebaseerd op eerdere arresten van de Hoge Raad en de wetsgeschiedenis van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nul euro.