Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
- in de periode van 1 mei 2007 tot 1 maart 2009 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen van in totaal € 98.582,36 (feit 1 primair), dan wel het medeplegen van schuldwitwassen van die geldbedragen (feit 1 subsidiair);
- in de periode van 1 september 2007 tot 31 januari 2015 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen door te verhullen wie de rechthebbende op de woning [adres] te [plaats 1] was en wie die woning voorhanden heeft gehad (feit 2);
- in de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 december 2007 heeft schuldig gemaakt aan het gebruik maken van valse geschriften teneinde een hypothecaire geldlening te verkrijgen voor de woning [adres] te [plaats 1] (feit 3).
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
- [verdachte] nooit zou hebben verteld voor wie het huis daadwerkelijk bedoeld was en dat hij dat vreemd vond;
- [verdachte] een woning te koop had en dat deze woning voor een derde zou zijn;
- [medepleger 1] al een vreemd gevoel had en dat zijn intuïtie al zei dat het niet klopte.
- in deze zaak zijn telkens grote contante geldbedragen van hand tot hand gegaan, alvorens deze zijn gestort en door omzetting in het financiële, girale verkeer terecht zijn gekomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld;
- de aan deze transacties ten grondslag liggende overeenkomsten en afspraken zijn niet op een gangbare wijze op schrift gesteld. Deze geldbedragen houden alle verband met de woning aan de [adres] te [plaats 1];
- er is door [verdachte], [medepleger 1] en [medepleger 2] een versluierende constructie gebruikt om te verhullen dat [medepleger 2] de feitelijk rechthebbende op deze woning was;
- [medepleger 2] heeft een aanzienlijk aantal criminele antecedenten, waaronder antecedenten met betrekking tot de Opiumwet;
- van [medepleger 2] zijn geen inkomensgegevens bekend bij de Belastingdienst. [medepleger 2] kan de geldbedragen die zijn besteed voor de aankoop en de verbouwing van de woning bij de Belastingdienst dus niet verantwoorden.
Op een bij [assurantie advies kantoor B.V.] in beslag genomen notitie staat vermeld:
Vooropgesteld moet worden dat het gezien het beroep van [verdachte] voor de hand had gelegen dat hij ten aanzien van zijn leningen aan [persoon 1] schriftelijke overeenkomsten had opgesteld. Dit is echter niet gebeurd. Wel bevindt zich bij de stukken een handgeschreven notitie op papier van [assurantie advies kantoor B.V.] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [verdachte] op 21 juli 2005 een lening van € 90.000,- (inclusief € 10.000,- rente) heeft verstrekt aan [persoon 1], welke lening op 9 september 2005 zou moeten zijn afgelost en dat hij op 15 november 2005 eenzelfde tweede lening heeft verstrekt, welke lening op 15 januari 2006 zou moeten zijn afgelost. [1] Uitgaande van deze notitie overweegt de rechtbank dat uit een brief van [verdachte] is gebleken dat [persoon 1] de tweede lening op 16 juni 2006 tot € 80.000,- had afgelost. [2] Blijkens een handgeschreven notitie op een kopie van deze brief, die in het kantoor van [persoon 1] in beslag is genomen, is het restdeel van deze lening in juni 2006 per kas voldaan. [3] Gelet hierop kan van aflossingen van deze lening in 2007 en 2008 geen sprake zijn geweest.
- [medepleger 1] en [persoon 2] hebben verklaard dat [medepleger 1] de woning nooit heeft gezien en niet over de koopprijs heeft onderhandeld;
- ten aanzien van de taxatieopdracht voor de woning was [persoon 3] de contactpersoon;
- [medepleger 2] en [persoon 3] hebben de keuken uitgezocht;
- [persoon 5] heeft verklaard dat [medepleger 2] de keuken heeft gekocht en dat [medepleger 2] zei dat de factuur op een andere naam moest;
- uit verklaringen is gebleken dat [medepleger 2] de beslissingen aangaande de verbouwing van de woning heeft genomen, zonder hierover met [medepleger 1] te overleggen, en [medepleger 2] de betalingen voor de keuken en verbouwingen heeft verricht of daartoe opdracht heeft gegeven;
- hoewel [verdachte] heeft verklaard dat [medepleger 2] en [persoon 3] de woning huurden, is tussen de betrokken partijen geen huurovereenkomst opgesteld, wat gezien de bemoeienis van [verdachte] bij de koop van de woning en zijn beroep wel voor de hand had gelegen.
5.Bewezenverklaring
2015.De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en past de bewezenverklaring op dit punt dan ook aan, namelijk tot 31 januari
2009. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
7.Motivering van de straffen
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissingen
- medeplegen van witwassen, en
- medeplegen van schuldwitwassen;
[verdachte]daarvoor strafbaar.
een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden en beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdveertig) uren,met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 120 (honderdtwintig) dagen zal worden toegepast, met bevel dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.