De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon werd verdacht van betrokkenheid bij het transport van circa 4620 kilo cannabis via containers in Zeebrugge.
De rechtbank stelde vast dat het EAB en de aanvullende informatie voldoende duidelijkheid boden over de aard en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, ondanks aanvankelijke onduidelijkheden over zijn rol. De strafbare feiten zijn opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet, waardoor dubbele strafbaarheid niet nader hoeft te worden onderzocht.
Het onschuldverweer van de opgeëiste persoon werd verworpen omdat hij dit niet kon aantonen tijdens de zittingen. De rechtbank accepteerde de garantie van België dat, indien de opgeëiste persoon tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze in Nederland mag ondergaan.
Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, oordeelde de rechtbank dat de overlevering aan België uit oogpunt van goede rechtsbedeling moet plaatsvinden. De persoonlijke omstandigheden en ontlastende informatie konden dit niet veranderen. De overlevering werd daarom toegestaan, met een beperking van de pleegperiode tot de datum waarop de container met verdovende middelen werd aangetroffen.