Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
- in de periode van 7 november 2011 tot en met 19 april 2012 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van ING Bank N.V. (hierna: ING) (feit 1 primair), dan wel medeplichtigheid aan (het medeplegen van) die oplichting (feit 1 subsidiair);
- in de periode van 1 september 2011 tot en met 19 april 2012 heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 2);
- op 14 mei 2012 heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) het voorhanden hebben van een wapen van categorie I, te weten een veerdrukwapen (feit 3).
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
- Op 7 november 2011 heeft [medeverdachte 11] de klantgegevens van [rekeninghouder 1] in het banksysteem van ING geraadpleegd.
- Op 8 november 2011 heeft een fraudeur een nieuwe bankpas op naam van deze rekeninghouder aangevraagd. De nieuwe bankpas met nummer [nummer 1] is door de bank afgegeven en verzonden naar het huisadres van [rekeninghouder 1] , waarna die bankpas door de fraudeur(s) is bemachtigd. De bij de bankpas behorende pincode is op 11 november 2011 door de bank verstrekt en verzonden naar een postkantoor in Den Haag.
- Nadat de pincode van bankpas [nummer 1] op 19 november 2011 met het originele afhaalbericht werd afgehaald, werden met de bankpas vanaf de bankrekening van [rekeninghouder 1] geldbedragen van € 3.500,- en € 400,- contant opgenomen.
- Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas verzocht en was hij van de opnames niet op de hoogte.
- Op 7 november 2011 heeft [medeverdachte 11] de klantgegevens van [rekeninghouder 2] in het banksysteem van ING geraadpleegd.
- Op 14 november 2011 heeft een fraudeur een nieuwe bankpas op naam van deze rekeninghouder aangevraagd. De nieuwe bankpas met nummer [nummer 2] is door de bank afgegeven en verzonden naar het huisadres van [rekeninghouder 2] , waarna die bankpas door de fraudeur(s) is bemachtigd.
- Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas verzocht.
- Op 30 december 2011 heeft een fraudeur voor de bankpas met nummer [nummer 3] een herpin aangevraagd. De herpin is op 2 januari 2012 door de bank verstrekt en verzonden naar een postkantoor in Amsterdam, waarna deze door de fraudeur(s) is afgehaald.
- Op 10 februari 2012 en 11 februari 2012 werden vanaf de bankrekening van [rekeninghouder 3] overgeboekt een totaalgeldbedrag van € 5.000,- naar de bankrekening van [persoon 1] en een totaalgeldbedrag van € 2.500,- naar de bankrekening van [persoon 2] , waarna deze geldbedragen contant werden opgenomen.
- Op 1 februari 2012 heeft [medeverdachte 11] de klantgegevens van [rekeninghouder 4] in het banksysteem van ING geraadpleegd.
- Op 2 februari 2012 heeft een fraudeur een nieuwe bankpas op naam van deze rekeninghouder aangevraagd. De nieuwe bankpas met nummer [nummer 4] en het afhaalbericht voor de nieuwe pincode zijn door de bank afgegeven en verzonden naar het huisadres van [rekeninghouder 4] , waarna die bankpas en dat afhaalbericht door de fraudeur(s) zijn bemachtigd.
- Op of omstreeks 10 februari 2012 heeft een fraudeur vervolgens de pincode van bankpas [nummer 4] bij een postkantoor in Duivendrecht afgehaald.
- Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas en pincode verzocht.
- Op 1 februari 2012 heeft [medeverdachte 11] de klantgegevens van [rekeninghouder 5] in het banksysteem van ING geraadpleegd.
- Op 8 februari 2012 heeft een fraudeur een nieuwe bankpas op naam van deze rekeninghouder aangevraagd. De nieuwe bankpas met nummer [nummer 5] en het afhaalbericht voor de nieuwe pincode zijn door de bank afgegeven en op 9 februari 2012 verzonden naar het huisadres van [rekeninghouder 5] , waarna die bankpas en dat afhaalbericht door de fraudeur(s) zijn bemachtigd.
- Op 9 februari 2012 heeft de bank de pincode naar een postkantoor in Duivendrecht verzonden, waarna de fraudeur de pincode heeft afgehaald.
- Blijkens het dossier heeft de rekeninghouder niet om de nieuwe bankpas en pincode verzocht.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
7.Motivering van de straf
8.Beslag
9.De vordering benadeelde partij
10.Toepasselijke wettelijke voorschriftenDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11.Beslissingen
[verdachte]daarvoor strafbaar.
een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden en beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast, en stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.
een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 180 (honderdtachtig) uren,met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 90 (negentig) dagen zal worden toegepast, met bevel dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.