De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor verhuizing van de minderjarige naar Israël, terwijl de vader het gezamenlijk gezag wilde wijzigen naar eenhoofdig gezag. De moeder was in 2013 zonder toestemming met het kind naar Israël vertrokken en was in 2014 gedwongen terug te keren naar Nederland. De vader betoogde dat de moeder zonder zijn instemming handelde en dat de verhuizing niet in het belang van het kind was, mede vanwege het contactverlies en de gespannen communicatie.
De rechtbank overwoog dat het belang van de minderjarige leidend is, maar dat ook het recht van de ouder om het leven opnieuw in te richten meeweegt. De moeder had een netwerk en werkmogelijkheden in Israël, maar had onvoldoende noodzaak voor verhuizing aangetoond en onvoldoende inspanningen verricht om in Nederland een bestaan op te bouwen. De voorgestelde zorgregeling bij verhuizing bood onvoldoende compensatie voor het verlies aan face-to-face contact tussen vader en kind.
De communicatie tussen ouders was gespannen en wantrouwend, wat een verhuizing risicovol maakte voor het contact tussen vader en kind. De rechtbank achtte het belang van de minderjarige en de vader om de huidige zorgregeling voort te zetten zwaarder dan het belang van de moeder om te verhuizen. Het verzoek tot vervangende toestemming werd afgewezen. De rechtbank verzocht de Raad voor de Kinderbescherming om advies over het gezag en de zorgregeling en hield verdere beslissingen aan.