Conclusie
1.Feiten en procesverloop
safe return- voorwaarden’). Deze hielden kort gezegd in: dat de man aan de vrouw een bedrag dient te betalen om haar verblijf in Nederland gedurende de eerste maanden te kunnen regelen; dat de vrouw met het tijdelijk gezag over de dochter wordt belast; dat tussen de man en de dochter begeleide omgang plaatsvindt totdat de Nederlandse rechter hierover anders heeft beslist; dat de man niet binnen een straal van 100 meter van de vrouw en de dochter mag komen; dat de Centrale Autoriteit zal bevestigen dat de vrouw in Nederland niet gearresteerd of gevangen genomen zal worden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
family lifein art. 8 EVRM Pro noopt niet tot een wezenlijk andere benadering [3] .
onderdeel I.1klaagt de man dat het hof heeft miskend dat de rechter gehouden is te onderzoeken of na de verhuizing een gelijkwaardig ouderschap, zoveel mogelijk, is gewaarborgd. Deze rechtsregel, welke het hof zo nodig ambtshalve had behoren toe te passen, volgt volgens het middelonderdeel uit Hoge Raad 4 oktober 2013 [4] . De man leidt uit de genoemde uitspraak af:
nietin staat zijn tot overeenstemming te komen, hij zelf dient na te gaan of een zorgregeling kan worden bepaald die bij verhuizing een gelijkwaardig ouderschap zoveel mogelijk waarborgt; zo ja, dan dient de rechter deze zorgregeling vast te stellen.
novum) in cassatie [5] . Dit verweer moet mijns inziens worden verworpen. Het is waar dat de man de ‘drie stappen-leer’, welke aan deze klachten ten grondslag ligt, niet in deze vorm heeft verdedigd in het debat dat partijen in de feitelijke instanties hebben gevoerd. Niettemin is geen sprake van een ontoelaatbaar nieuwe stelling in cassatie als bedoeld in art. 419, in verbinding met art. 429 lid 2 Rv Pro. De vaststelling van een zorgregeling heeft zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw vanaf het begin van de procedure deel uitgemaakt van het debat. Dat de man in het cassatiemiddel uitdrukkelijk een koppeling legt tussen de toewijsbaarheid van het verzoek van de vrouw om rechterlijke toestemming tot verhuizing met het kind en, anderzijds, het vaststellen door de Nederlandse rechter voor een zorgregeling voor de periode nadat een (door de man
nietgewenste) verhuizing van het kind naar Israël zal hebben plaatsgevonden, betekent niet dat aan de vrouw een kans is ontnomen om weren van feitelijke aard tegen het verzoek van de man tijdig in het geding naar voren te brengen. De feitelijke grondslag van het verzoek van de man en de feitelijke grondslag van zijn verweer tegen het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming tot verhuizing met het kind zijn steeds dezelfde gebleven.
de factoneerkomt op een eenhoofdig gezag en voorts om te voorkomen dat er nauwelijks of geen contact is tussen de kinderen en de ouder bij wie zij niet hun hoofdverblijfplaats hebben.
condicio sine qua nonis voor het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland. De vrouw noemt enkele voorbeelden van gevallen waarin de rechter vervangende toestemming tot verhuizing heeft verleend zonder dat uit de beslissing blijkt dat aan die voorwaarde was voldaan. Volgens de vrouw gaat het erom,
ouderschapsplan.
dictum, maar ook andere wijzen zijn mogelijk.
onderdeel I.4klaagt de man dat het hof het niet had mogen laten bij een beoordeling (in rov. 4.12) van de door de vrouw voorgestelde zorgregeling. Gelet op de maatstaf van HR 13 oktober 2013, had het hof ook de derde stap moeten zetten: het uitdrukkelijk opnemen van de zorgregeling in het dictum. Ter toelichting op deze klacht voert de man aan dat hij sinds de uitspraak de dochter niet meer heeft gezien en dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat zij tot niets verplicht is, nu het hof hierover niets heeft vastgesteld in het dictum.