ECLI:NL:GHAMS:2016:202
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming verhuizing minderjarige naar Israël na echtscheiding ouders
Partijen zijn in 2009 in Israël gehuwd en hebben een minderjarige dochter, die de Nederlandse en Israëlische nationaliteit bezit. Na echtscheiding en verhuizing naar Nederland ontstond een conflict over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De moeder vertrok in 2013 zonder toestemming naar Israël met het kind, waarna de vader via de rechter en de Centrale Autoriteit terugkeer bewerkstelligde.
De rechtbank weigerde de moeder vervangende toestemming voor verhuizing naar Israël, waarop de moeder in hoger beroep ging. Het hof beoordeelde het verzoek aan de hand van het belang van het kind en de belangen van beide ouders. De moeder stelde dat zij psychische klachten en een sociaal netwerk in Israël heeft, en dat de verhuizing in het belang van het kind is.
De vader betwistte de noodzaak van verhuizing en stelde dat de omgang en betrokkenheid bij het kind hierdoor ernstig zouden worden beperkt. Het hof achtte het belang van de vader zwaar, maar vond dat het belang van de moeder en het kind zwaarder wogen. Het hof stelde een omgangsregeling vast die voldoende compensatie biedt voor de beperking van de vader in de verzorging en opvoeding.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verleende de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige naar Israël te verhuizen, met een uitvoerbare beschikking bij voorraad.
Uitkomst: Het hof verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige naar Israël te verhuizen.