ECLI:NL:RBAMS:2016:6695
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling na intrekking voorwaardelijk ontslag psychiatrische opname
Betrokkene was sinds 1 oktober 2015 gedwongen opgenomen op grond van een machtiging voortgezet verblijf, geldig tot 2 april 2016. Na voorwaardelijk ontslag op 22 oktober 2015 verbleef betrokkene buiten de kliniek, maar dit ontslag werd op 21 april 2016 ingetrokken vanwege het niet naleven van medicatievoorschriften.
De officier van justitie diende een verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in, en betrokkene verzocht via zijn advocaat om onmiddellijke invrijheidstelling wegens vermeende onrechtmatigheid van het verblijf. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van het voorwaardelijk ontslag binnen de toegestane termijn van vier weken na afloop van de machtiging plaatsvond.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeert dat het verzoek tot voorwaardelijke machtiging de machtiging voortgezet verblijf voortzet. De termijn voor beslissing op dit verzoek is drie weken vanaf de gedwongen opname, derhalve nog niet verstreken. De rechtbank acht het verblijf niet onrechtmatig omdat het gevaarscriterium is vervuld en het verblijf een wettelijke grondslag heeft.
Daarom wordt het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling afgewezen. De rechtbank zal gelijktijdig met het verzoek tot machtiging voortgezet verblijf op de verzoeken beslissen.
Uitkomst: Het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt afgewezen omdat het verblijf op grond van een geldige machtiging voortgezet verblijf berust op een wettelijke grondslag.