Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
Bespreking van het principaal en het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
onder adat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Volgens het middel was niet de vraag aan de orde of de (wnd.) geneesheer-directeur een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis mocht intrekken, maar de vraag of hij mocht besluiten betrokkene onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en of de vrijheidsbeneming op deze titel kon worden voortgezet. Voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat conversie van een voorwaardelijke machtiging (als bedoeld in art. 14d) gelijk staat aan het intrekken van een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis (als bedoeld in art. 46 en Pro 47) klaagt het middel
onder bdat dit oordeel rechtens onjuist is, gelet op het verschil tussen beide rechtsfiguren. Van een door de geneesheer-directeur aan betrokkene verleend voorwaardelijk ontslag is nimmer sprake geweest; om die reden noemt de klacht
onder cde bestreden beslissing onbegrijpelijk.
Onder dwordt bovendien geklaagd over onbegrijpelijkheid van de vaststelling dat al op 22 januari (niet: op 23 januari) de conversie zou hebben plaatsgevonden.
kande geneesheer-directeur een voorwaardelijk verleend ontslag intrekken wanneer de patiënt een of meer van de door de geneesheer-directeur gestelde voorwaarden niet nakomt [4] .
kande geneesheer-directeur de betrokken patiënt doen opnemen wanneer deze de door de rechter gestelde voorwaarden niet naleeft. Vervolgens kan de patiënt op grond van art. 14e via de officier van justitie een beslissing van de rechter uitlokken met betrekking tot de opneming.
a contrariohoudt deze bepaling positief in, dat de geneesheer-directeur het besluit tot opneming op de voet van art. 14d lid 1 ook nog kan nemen nadat de looptijd van de voorwaardelijke machtiging is verstreken, mits:
lex specialis,die uitzondering maakt op de hoofdregel in art. 14d lid 2 Wet Bopz.