4.2Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 (mensenhandel t.a.v. [persoon 1] )
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewijsmiddelen op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, en dat verdachte aldus dient te worden vrijgesproken.
[persoon 1] blijft, nadat zij meerdere malen intensief is verhoord en is geconfronteerd met volgens het openbaar ministerie belastend bewijsmateriaal, ontkennen dat zij door verdachte en medeverdachten is uitgebuit of is gedwongen om in de prostitutie te werken. Zij heeft geen dwang ervaren.
De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte niet één van de dwangmiddelen uit artikel 273f, eerste lid Sr heeft gebruikt jegens [persoon 1] . Volgens een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2013 (gepubliceerd onder LJN:BZ7893) levert het hebben van twee relaties geen misleiding in de zin van de wet op. Bovendien wisten [persoon 1] en [persoon 10] van elkaars bestaan en was [persoon 1] op de hoogte van de zwangerschap van [persoon 10] .
Volgens de verdediging kunnen de tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en [persoon 1] geen ondersteuning vormen voor de stelling dat [persoon 1] zou worden uitgebuit. Deze tapgesprekken zijn voor meerdere interpretaties vatbaar en deze dienen in het licht te worden bezien van de relatie-context. Ook blijkt dat [persoon 1] een pittige en mondige dame is, die precies weet wat ze wel en niet wil. Er zijn voldoende tapgesprekken waaruit blijkt dat [persoon 1] en [medeverdachte 1] verliefd op elkaar zijn en dat ze een normale relatie hebben. Het dilemma van [medeverdachte 1] om te kiezen tussen zijn leven in Hongarije bij zijn gezin en zijn leven in Nederland komt ook duidelijk uit de tapgesprekken naar voren.
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] en [persoon 1] de afspraak hadden om de verdiensten van [persoon 1] tussen hen te verdelen. De verdediging acht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Den Haag (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2016:923) het hebben van een dergelijke afspraak niet strafbaar, nu [persoon 1] hier zelf mee heeft ingestemd. Het enkele aansporen om meer te verdienen levert geen uitbuiting op. Uit het dossier blijkt dat [persoon 1] haar eigen verdiende geld tot haar beschikking had. Ze had geld voor cadeaus, kleding en de zonnebank. [persoon 1] heeft zelf verklaard het geld door [medeverdachte 3] te laten versturen en [persoon 10] te hebben gemachtigd het geld aan haar familie te geven. Aan de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] dient geen waarde te worden gehecht, nu deze innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn. Ook aan de verklaringen van [persoon 3] dient geen waarde te worden gehecht. De verklaring van [persoon 5] dat ze heeft gezien dat [persoon 1] geld afdroeg aan [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] haar veel belde tijdens haar werk, is in het licht van de relatie tussen [persoon 1] en verdachte niet voldoende voor de aanname van een uitbuitingssituatie.
Het dossier bevat ook ontlastend bewijsmateriaal. Verschillende getuigen hebben geen signalen van gedwongen prostitutie waargenomen.
De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte niet betrokken was bij de vermeende uitbuiting van [persoon 1] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte betrokken is geweest bij het vertrek van [persoon 1] naar Nederland of dat er met hem gesproken is over de verdeling van haar verdiensten. Als al kan worden vastgesteld dat verdachte samen met [persoon 1] heeft gevlogen, zegt dit niet dat verdachte tot doel had om haar in Nederland in de prostitutie te laten werken. Het dossier bevat geen reisgegevens of mutaties waaruit zou blijken dat verdachte samen met [persoon 1] naar Zwitserland is gereisd. De handelingen omtrent de huisvesting van [persoon 1] zijn door medeverdachte [medeverdachte 3] verricht. Het dossier geeft geen blijk van direct contact tussen verdachte en [persoon 1] en bevat geen stukken waaruit blijkt dat verdachte zich indirect bemoeide met de vermeende uitbuiting. Verdachte maakte geen gebruik van zijn bankrekeningen en bankpasjes, deze werden gebruikt door [persoon 10] en [persoon 1] . Geen enkele getuige heeft verklaard dat [persoon 1] geld heeft afgestaan aan verdachte. Ten aanzien van de enige overboeking van [persoon 1] die verdachte heeft opgehaald, is niet duidelijk geworden wat er met het geld is gebeurd.
Het dossier geeft geen blijk van een taakverdeling of samenwerking en er is dan ook onvoldoende om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 juni 2016 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2016:2435) . Ook is niet gebleken dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest of dat hij inlichtingen, middelen of gelegenheid heeft verschaft om de vermeende uitbuiting te plegen. Niet blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict noch op de hulpverlening. Verdachte heeft [persoon 1] nooit gecontroleerd of achtervolgd of handelingen in opdracht van iemand verricht. De handelingen die verdachte zou hebben verricht zijn in de visie van de verdediging onvoldoende om te spreken van medeplichtigheid.
Ten aanzien van feit 2 (mensenhandel t.a.v. [persoon 2] )
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De verklaringen van [persoon 2] staan op zichzelf en vinden onvoldoende objectieve ondersteuning in het dossier. Verdachte gebruikte zijn eigen bankrekeningen niet en bovendien kan niet worden vastgesteld dat de overboekingen verdiensten van [persoon 2] betroffen. In het dossier is geen onderbouwing te vinden voor de stelling dat verdachte [persoon 2] naar Nederland, Zwitserland of Duitsland heeft vervoerd of laten vervoeren. De mutatie dat [persoon 2] samen met verdachte, [medeverdachte 2] , [persoon 1] en [persoon 9] is gezien op Eindhoven Airport, zegt nog niets over een mogelijke uitbuitingssituatie.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door verdachte geen gebruik is gemaakt van de in de wet genoemde dwangmiddelen. De verdediging is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de situatie van [persoon 2] van dien aard was dat die niet gelijk was aan die van een mondige prostituee in Nederland. Niet is komen vast te staan dat [persoon 2] geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze had dan zich te prostitueren in dienst van verdachte. Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt bovendien niet dat zij een dermate kwetsbare persoon was dat verdachte hier gemakkelijk misbruik van zou maken.
Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat [persoon 2] heeft verklaard dat zij vrijwillig naar Nederland is gekomen en er is geen onderbouwing in het dossier voor de verklaring dat zij samen met verdachte naar Nederland is gekomen. Aldus kan niet worden bewezen hetgeen onder sub 3 is tenlastegelegd.
Ook blijkt onvoldoende uit het dossier dat verdachte [persoon 2] zou hebben uitgebuit. In het dossier bevinden zich geen tapgesprekken of observaties waaruit blijkt hoe lang [persoon 2] achter het raam moest werken. Evenmin blijkt dat verdachte economisch voordeel heeft genoten. Niet blijkt dat [persoon 2] enige beperking heeft opgelegd gekregen tijdens haar werkzaamheden.
Ten aanzien van feit 3 (mensenhandel t.a.v. [persoon 3] )
De raadsvrouw heeft in haar pleitnota haar standpunt ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 3] weergegeven met betrekking tot de gehele periode zoals die is opgenomen in de tenlasteleggingen in de onderhavige zaak en de zaak met parketnummer 13/525357-08 (13Shogun). Hieronder is weergegeven wat (ook) van belang is ten aanzien van de periode in de tenlastelegging in de onderhavige zaak.
Primair moet verdachte worden vrijgesproken van de tenlastegelegde uitbuiting van [persoon 3] , nu haar belastende verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden uitgesloten van het bewijs. In 2008 heeft [persoon 3] een aantal verklaringen afgelegd die erop neerkomen dat zij zelf niet is uitgebuit en evenmin zelf vrouwen heeft uitgebuit. Dat zij dan ineens in 2015 belastend verklaart over onder meer verdachte, doet afbreuk aan haar betrouwbaarheid. Verder heeft zij op meerdere onderdelen aantoonbaar in strijd met de waarheid verklaard. Zo heeft zij leugenachtige verklaringen afgelegd met betrekking tot werktijden, haar bemoeienis met andere meisjes en het uitvoeren van controle op andere meisjes. Ook spreekt zij zichzelf tegen, soms zelfs in één en hetzelfde verhoor. Het beeld van willoos slachtoffer dat zij van zichzelf neerzet, komt voorts niet overeen met het beeld van [persoon 3] dat naar voren komt uit verklaringen van verschillende personen. Hierbij verdient opmerking dat op 14 juli 2010 door mevrouw [persoon 6] juist tegen verdachte en haar toenmalige vriend aangifte is gedaan van uitbuiting.
Ook volgt uit het dossier dat [persoon 7] , een oud-klant van [persoon 3] , over de jaren 27.000 euro naar verdachte, haar broer en de toenmalige partner van [persoon 3] heeft overgeboekt. [persoon 3] zou volgens [persoon 7] het geld terugbetalen zodra zij in de onderhavige zaak geld zou hebben ontvangen. In de visie van de verdediging is hierin een duidelijk motief voor [persoon 3] gelegen om in deze zaak alsnog aangifte te doen tegen onder meer verdachte.
Tot slot is van belang dat de broer van [persoon 3] en [persoon 8] bij de rechter-commissaris slechts hebben verklaard wat zij van [persoon 3] hebben gehoord. De indruk bestaat verder dat zij [persoon 3] graag behulpzaam zijn bij het verkrijgen van schadevergoeding in de onderhavige zaak.
Voor het geval de rechtbank het primaire verweer verwerpt, heeft de raadsvrouw opgemerkt dat ten aanzien van de vermeende uitbuiting in Hongarije en Alkmaar voor wat betreft de periode 2005-maart 2008 enig bewijs ter ondersteuning van de verklaringen van [persoon 3] ontbreekt en dient verdachte te worden vrijgesproken.
De verklaring van [persoon 3] ten aanzien van het vertrek naar Canada en het afstaan van geld aldaar wordt ook niet ondersteund door enig ander bewijs. Uit de verklaringen van de heer [persoon 7] en [persoon 6] kan worden afgeleid dat [persoon 3] na haar vrijlating in de zaak 13Shogun niet meer voor de familie heeft gewerkt.
Ten aanzien van feit 4 (gewoontewitwassen)
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 4 tenlastegelegde, nu zij heeft bepleit dat niet vast is komen te staan dat de gelden een criminele herkomst hebben. Het openbaar ministerie gaat te gemakkelijk voorbij aan het feit dat in ieder geval een deel van de dames in het gezin van verdachte woonden. De dames zouden dan deel uitmaken van het ‘familiebedrijf’ zoals dat door het openbaar ministerie wordt omschreven. Nergens blijkt uit dat de dames zelf geen geld hebben ontvangen.
Er is geen deugdelijk onderzoek gedaan naar bezittingen van de vermeende slachtoffers. Het is bovendien niet aannemelijk dat er steeds grote bedragen vanuit Nederland fysiek mee naar Hongarije zijn genomen, omdat strikt wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van cash geld bij buitenlanders.
Niet duidelijk is wanneer de overboekingen illegaal worden in de zin dat dit gelden zijn uit uitbuiting, nu het openbaar ministerie niet heeft aan kunnen tonen welke kosten verdachte heeft moeten maken om de dames in de prostitutie te brengen, zoals het openbaar ministerie stelt, en welke terugbetaald moesten worden.
De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er door verdachte geen verhullende handelingen zijn verricht. Verdachte zou gelden onder zich hebben gehad die waren verkregen door een door hem zelf gepleegd delict. Het enkele in bezit hebben van het geld en het overbrengen naar Hongarije op zich is nog geen verhullende gedraging. Wat er na het versturen van het geld naar Hongarije met het geld is gebeurd is niet bekend. Ook om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde gewoontewitwassen.