De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de eerste rechtbank van Boekarest. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en twee maanden voor diefstal. De rechtbank onderzocht de identiteit en de rechtsgrondslag van het EAB en concludeerde dat de procedurele waarborgen omtrent kennisgeving en beroepsmogelijkheden aan de opgeëiste persoon zijn gewaarborgd.
De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de slechte detentieomstandigheden in Roemeense gevangenissen, met name vanwege overbevolking en beperkte persoonlijke ruimte. De officier van justitie erkende het risico op onmenselijke behandeling en verzocht om uitstel om aanvullende informatie van de Roemeense autoriteiten te verkrijgen.
De rechtbank constateerde dat de opgeëiste persoon in een ziekenhuisgevangenis en later in een halfopen regime gevangenis zou worden gedetineerd, waar zij minimaal 2 m² persoonlijke ruimte zou hebben. Volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leidt minder dan 3 m² tot een sterke vermoeden van onmenselijke behandeling, tenzij dit kan worden weerlegd door factoren zoals bewegingsvrijheid en activiteiten buiten de cel.
De verstrekte informatie was onvoldoende om dit vermoeden te weerleggen, mede omdat de duur van detentie op de verschillende locaties onbekend is. De rechtbank concludeerde dat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk zal worden behandeld en stelde de beslissing over overlevering uit. De procedure wordt heropend en de zaak wordt aangehouden voor nader onderzoek.