ECLI:NL:RBAMS:2017:2586
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vrouw en zoons mogen in huurwoning blijven na overlijden echtgenoot
De zaak betreft een geschil over het voortzetten van een huurovereenkomst na het overlijden van de huurder, de echtgenoot van de vrouw. De verhuurder vorderde ontruiming omdat de vrouw volgens haar geen medehuurder was, omdat zij haar hoofdverblijf tot kort na het overlijden in Marokko zou hebben gehad. De vrouw en haar zoons wonen echter sinds augustus 2016 in de woning en de kinderen gaan in de buurt naar school.
De kantonrechter overwoog dat op grond van artikel 7:266 BW Pro een echtgenoot van rechtswege medehuurder is zolang de woning het hoofdverblijf is. Gezien het feit dat de vrouw en haar kinderen in de woning verblijven en haar leven zich hoofdzakelijk daar afspeelt, is zij medehuurder geworden. De verhuurder kon niet aannemelijk maken dat zij zonder recht of titel in de woning verbleef.
De vordering tot ontruiming werd daarom afgewezen. De verhuurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kantonrechter gaf een voorlopig oordeel, omdat het een kort geding betrof, en benadrukte dat de vrouw in een bodemprocedure aannemelijk zal kunnen maken dat de woning haar hoofdverblijf is.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de vrouw medehuurder is met hoofdverblijf in de woning.