Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit en van verdachte
7.Motivering van de straf
8.De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3]
[naam benadeelde partij 1]vordert € 4.951,70 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
[naam benadeelde partij 2]vordert € 455,60 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
[naam benadeelde partij 3]vordert € 1.732,87 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.
[naam benadeelde partij 1]zal ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De kosten voor de schriftelijke informatieverstrekking huisarts staan in een te ver verwijderd verband om aangemerkt te kunnen worden als rechtstreekse schade.
Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat vooralsnog niet kan worden vastgesteld dat bij de benadeelde partijen ten gevolge van het waarnemen van of de confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vorderingen, zoals deze thans voorliggen, zijn hiertoe niet genoegzaam onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de wet op dit moment geen ruimte biedt voor vergoeding van affectieschade. Het gaat de taak van de rechtbank te buiten om af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel van schadevergoeding van onder meer artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast kan voornoemde stelling van de raadsvrouw niet worden aanvaard, omdat zij de inhoud en strekking van de richtlijn miskent. Richtlijn 2012/29/EU schrijft op geen enkele wijze voor dat nabestaanden specifiek een vorm van immateriële schadevergoeding moet worden toegekend. Dat wordt overgelaten aan de invulling door de lidstaten.
9.Beslag
11.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
8 (acht) jaren.
[naam benadeelde partij 1], tot € 3.164,17 (drieduizendhonderdvierenzestig euro en zeventien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam benadeelde partij 2], tot € 380,72 (driehonderdtachtig euro en tweeënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.
[naam benadeelde partij 3], tot € 1.310,89 (dertienhonderdtien euro en negenentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.