De rechtbank Amsterdam heeft op 14 februari 2017 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van twee feiten: inbraak met diefstal van circa 450 euro uit een bedrijfspand en bedreiging met een terroristisch misdrijf.
Verdachte bekende de inbraak en diefstal, waarvoor hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte zich toegang tot het pand had verschaft door braak en het geldbedrag had weggenomen. De straf werd bepaald met inachtneming van recidive en de ernst van het feit.
Ten aanzien van de bedreiging met een terroristisch misdrijf oordeelde de rechtbank dat niet was bewezen dat verdachte het oogmerk had om de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Ook de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht werd niet bewezen verklaard, omdat de bedreigde verbalisanten geen redelijke vrees hadden dat de bedreiging daadwerkelijk zou worden uitgevoerd.
De rechtbank legde geen bijzondere voorwaarden op bij de strafoplegging vanwege een lopend BOPZ-traject. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf.