Conclusie
1. het proces-verbaal van aangifte, inhoudende als deverklaring van [getuige] , aangever:
Gesprek 1
Gesprek 2
eerstemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat er onder feit 1 sprake is van een terroristisch oogmerk onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd. De door het hof genoemde feiten en omstandigheden zouden in onderlinge samenhang beschouwd niet tot het oordeel kunnen leiden dat het de bedoeling van de beller(s) was om de autoriteiten en de bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen. Gezien de onhandigheid van de handelingen, de nauwelijks gespecificeerde uitingen (met woorden als ‘ongelukken’ en ‘de wereld vergaat’) die verdachten deden en gelet op de context met carnavalspakken en fantasienamen als ‘Dombo en de Kikker’ zou niet te begrijpen zijn hoe het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat het oogmerk terroristisch gekleurd was. Eén en ander zou overduidelijk meer weg hebben van een grap.
‘6. Bedreiging met een terroristisch misdrijf
NJ2019/133 leid ik af dat Uw Raad daar ook zo over denkt. In dat arrest stond de verwerping van een verweer centraal waarin geklaagd werd over een ander verschil tussen kaderbesluit en strafwet, in de context van brandstichting. Uw Raad overwoog:
NJ2011/224 m.nt. Keijzer onder
NJ2011/228 heeft Uw Raad, mede naar aanleiding van een verkenning van de wetsgeschiedenis in de conclusie van A-G Knigge, overwogen:
tweedemiddel klaagt dat uit de bewijsmiddelen het medeplegen van de beide bewezenverklaarde feiten niet kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Uit de toelichting blijkt dat niet bestreden wordt dat degene die de 112-gesprekken heeft gevoerd en de ander zich tijdens die gesprekken dicht bij elkaar in de buurt hebben bevonden. Dat zou er echter nog niet toe leiden dat die ander deze gesprekken ook moet hebben meegekregen. Bij telefoongesprekken zou voor iemand die niet zelf aan het gesprek deelneemt niet altijd duidelijk zijn wat exact besproken wordt. En zelfs als dit wel duidelijk zou zijn, kan uit het niet distantiëren nog geen voldoende wezenlijke of significante bijdrage worden afgeleid.