ECLI:NL:RBAMS:2018:2350

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
13 april 2018
Zaaknummer
13/751073-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering voor uitvoering vrijheidsstraf en vrijheidsbenemende maatregel in Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 april 2018 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 3 jaar en 3 maanden en een vrijheidsbenemende maatregel van huisvesting in een ontwenningskliniek met een maximale duur van ruim 3 jaar. De opgeëiste persoon verbleef zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en was gedetineerd.

De verdediging voerde aan dat onduidelijk was hoeveel straf de opgeëiste persoon nog moest uitzitten, omdat hij al een deel van de straf had uitgezeten. De rechtbank verwierp dit verweer na beoordeling van aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten, die inzicht gaf in de resterende duur van de straf en maatregel, inclusief aftrek van voorlopige hechtenis en reeds uitgezette maatregelen.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet, met name dat de opgelegde straf en maatregel elk langer dan vier maanden duren en nog niet volledig zijn uitgezeten. De feiten waarvoor overlevering wordt verzocht vallen onder bijlage 1 van de Overleveringswet, zodat onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven.

Gelet op deze overwegingen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering toe voor de uitvoering van de vrijheidsstraf en vrijheidsbenemende maatregel in Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751073-18
RK-nummer: 18/943
Datum uitspraak: 12 april 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2017 (ontvangen op 5 februari 2018) door het Openbaar Ministerie van Weiden i.d. OPf. (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Duitsland),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. K.M.S. Bal, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.
3.1.
Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van het
AmtsgerichtWeiden i.d. OPf. van 9 juni 2016 in samenhang met het oordeel van het
LandgerichtWeiden i.d. OPf van 24 januari 2017 (referentie 3 Ls 16 Js 1351/16).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 3 maanden en de vrijheidsbenemende maatregel van huisvestiging in een ontwenningskliniek (maximale duur 3 jaar, 2 maanden en 6 dagen), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Van deze straf resteren volgens het EAB nog 562 dagen vrijheidsstraf en 905 dagen huisvestiging in een ontwenningskliniek.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis en de vrijheidsbenemende maatregel in de ontwenningskliniek is bij het arrest in hoger beroep bijkomend opgelegd.
Dit vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.2.
Genoegzaamheid stukken met betrekking tot resterende vrijheidsstraf
De raadsvrouw heeft om aanhouding verzocht omdat het op grond van het EAB en de aanvullende informatie van 9 maart 2018 niet duidelijk is hoeveel dagen de opgeëiste persoon nog dient uit te zitten. Volgens de opgeëiste persoon heeft hij al een veel groter deel van zijn straf uitgezeten.
De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de aanvullende informatie blijkt dat wat er nog als resterende tijd in het EAB staat vermeld, de
theoretischmogelijk nog uit te zitten dagen zijn. Het verschil qua resterende straf is te verklaren door het feit dat de opgeëiste persoon de vrijheidsbenemende maatregel in de ontwenningskliniek pas in hoger beroep opgelegd heeft gekregen en eerst een jaar in voorlopige hechtenis heeft gezeten en vervolgens 8 maanden in de ontwenningskliniek. De duur van de voorlopige hechtenis en de duur van de reeds uitgezeten maatregel in de ontwenningskliniek worden afgetrokken van de duur van de gevangenisstraf en de maatregel.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1 onder Pro c, van de OLW worden onder
vrijheidsstraffen, op grond waarvan de overlevering kan worden bevolen, ook de naast of in de plaats van een straf op te leggen
maatregelen tot vrijheidsbenemingbedoeld.
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
(…)
b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden, of van langere duur (…).
Zoals de rechtbank al eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld 19 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC9797), heeft de in de artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, onder b, van de OLW tot uitdrukking gebrachte eis van een vrijheidsstraf voor de duur van ten minste vier maanden betrekking op de duur van de opgelegde vrijheidsstraf (of vrijheidsbenemende maatregel) en niet op de duur van het daarvan (nog) ten uitvoer te leggen deel.
Op grond van de informatie van de Duitse autoriteiten van 9 maart 2018 blijkt dat de huisvesting in een ontwenningscentrum een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is. Deze wordt door het Duitse Wetboek van Strafrecht ook uitdrukkelijk als dusdanig bestempeld en wordt ook als eerste in gesloten afdelingen van de betreffende ziekenhuizen ten uitvoer gelegd. Afhankelijk van de therapeutische vooruitgang komt het tot versoepelingsmaatregelen.
Gelet hierop kan de overlevering ook voor de vrijheidsbenemende maatregel in de ontwenningskliniek worden bevolen.
De Duitse autoriteiten hebben verder aangegeven dat de onderbrenging in de ontwenningskliniek, vóór de gelijktijdig opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Hierbij wordt de tijd van de tenuitvoerlegging van de straf afgetrokken, maar slechts totdat 2/3 van de straf is uitgezeten. De Duitse autoriteiten geven verder aan dat aan de opgeëiste persoon een totale gevangenisstraf van 3 jaar en 3 maanden is opgelegd.
De aanvullend gelaste onderbrenging in een ontwenningscentrum wordt volgens Duits recht niet in de tijd beperkt en de maximale duur is afhankelijk van de gelijktijdig opgelegde gevangenisstraf. In het geval van de opgeëiste persoon is daarbij een maximale duur van 3 jaar, 2 maanden en 6 dagen van toepassing. De opgeëiste persoon heeft zich aan de tenuitvoerlegging onttrokken. Gebaseerd op de theoretisch mogelijke maximale duur van de onderbrenging stonden op het moment van de vlucht van de opgeëiste persoon nog 905 dagen open. Van de gelijktijdig opgelegde gevangenisstraf stonden na aftrek van de tot nu toe geldende duur van de onderbrenging nog 562 dagen open.
Gelet op de informatie uit het EAB en de aanvullende informatie van 9 maart 2018 wordt voldaan aan het vereiste dat minimaal vier maanden gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en voorts dat deze straf en maatregel nog niet zijn uitgezeten. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen en evenmin tot het stellen aanvullende vragen. De opgeëiste persoon kan zijn standpunt dat hij in totaal nog 9 maanden moet uitzitten desgewenst in Duitsland aan de orde stellen.

4.Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:
Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van Pro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, en 7 van de OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Openbaar Ministerie in Weiden i.d. OPf. voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en vrijheidsbenemende maatregel, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 april 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[A/B/C]