16.4De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat alleen aan de hand van de ‘genuanceerde’ voorwaarde onder (1) en de voorwaarden onder (2) en (3) kan worden beoordeeld of sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. De rechtbank zal hierna beoordelen of het algemeen bestuur in dit geval terecht op basis van de feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat [eiser] het bestemmingsplan heeft overtreden.
Hoe werkt dat nu uit in deze zaak?
17. Het algemeen bestuur heeft tijdens de zitting toegelicht dat het aan de last onder dwangsom alleen ten grondslag heeft gelegd dat er niemand op de woonboot woont (voorwaarde (1)) en dat er meer dan vier personen aanwezig waren (voorwaarde (4)). [eiser] stond ten tijde van de constateringen en de opgelegde last onder dwangsom weliswaar in de Brp ingeschreven op de woonboot, maar het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat er omstandigheden zijn die het vermoeden ontkrachten dat er daadwerkelijk iemand woonde. De toezichthouders hebben bij de tweede constatering (toen ze daadwerkelijk binnen zijn geweest) namelijk geen persoonlijke spullen aangetroffen, aldus het algemeen bestuur.
18. De rechtbank heeft in 16.3 al geoordeeld dat het maximaal aantal toeristen waaraan de woonboot mag worden verhuurd niet relevant is voor de beoordeling of er iemand op de woonboot woont.
19. Over het hoofdzakelijk gebruik van de woonboot als woonverblijf oordeelt de rechtbank als volgt. Omdat [eiser] op het adres van de woonboot in de Brp stond ingeschreven, ligt de bewijslast dat hij er desondanks niet woonde, bij het algemeen bestuur. Dat er geen persoonlijke spullen op de woonboot aanwezig waren, heeft [eiser] al in bezwaar gemotiveerd betwist door middel van foto’s van twee afgesloten kasten die zich op de woonboot bevinden, met daarin onder andere mappen met administratie. Het algemeen bestuur heeft het bestaan van deze twee kasten in het bestreden besluit noch in het verweerschrift of tijdens de zitting weersproken. Het beeldverslag dat de toezichthouders tijdens de tweede constatering hebben gemaakt, sluit het bestaan van deze kasten evenmin uit. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden uitgesloten dat zich op de woonboot twee afgesloten kasten bevinden die ten tijde van de constateringen persoonlijke spullen bevatten. Hieruit volgt dat het algemeen bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat ondanks de Brp-inschrijving de woonboot niet wordt bewoond.
20. Hoe pakt dit nu uit volgens de ‘genuanceerde’ voorwaarde onder (1) en de voorwaarden onder (2) en (3) van de beleidsregels? Volgens het Brp is de woonboot bewoond. Voorwaarde (1) wordt dus niet geschonden. Verder wordt voorwaarde (3) niet aan [eiser] tegengeworpen. Voorwaarde (2) – zo heeft de rechtbank de toelichting van het algemeen bestuur op de zitting begrepen – wordt hem niet langer tegengeworpen.
21. Het voorgaande betekent dat het algemeen bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woonboot anders dan hoofdzakelijk als woonverblijf werd gebruikt. Er is dus ook geen sprake van dat de woonboot door het feitelijk gebruik (de verhuur aan toeristen) een bedrijfsvaartuig is geworden. Dat [eiser] een overtreding van het bestemmingsplan heeft begaan door de woonboot te verhuren aan toeristen heeft het algemeen bestuur dan ook niet aangetoond. Het algemeen bestuur was dan ook niet bevoegd om handhavend op te treden en om aan [eiser] een last onder dwangsom op te leggen.
22. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Tijdens de zitting is door het algemeen bestuur te kennen gegeven dat wanneer de rechtbank de overtreding niet aangetoond acht, dit gebrek vanwege het tijdsverloop niet meer kan worden hersteld. Daarom ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit zal worden herroepen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het algemeen bestuur aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
24. De rechtbank veroordeelt het algemeen bestuur in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het algemeen bestuur op het betaalde griffierecht van € 168,- aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt het algemeen bestuur in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 2.004,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mr. E.J. Otten en
mr. N. Saanen, leden,in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op: