Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
primair:
- de helft van de vakanties en feestdagen in overleg;
- eens per 14 dagen in het weekend en een doordeweekse dag,
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verblijfplaats van hun kind, dat zowel de Nederlandse als Duitse nationaliteit heeft. De moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, is met het kind zonder medeweten van de vader naar Duitsland verhuisd. De vader vordert dat de moeder met het kind terugverhuist naar Nederland en dat de Nederlandse rechter de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem vaststelt.
De rechtbank beoordeelt allereerst haar bevoegdheid op grond van Brussel II-bis en stelt vast dat de gewone verblijfplaats van het kind bepalend is voor de rechterlijke bevoegdheid. Na een uitgebreide afweging van feiten, waaronder de tweetaligheid van het kind, de sociale en familiale banden in beide landen, en de recente verhuizing, concludeert de rechtbank dat het kind op het moment van dagvaarding zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had.
Hierdoor is de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. Tevens overweegt de rechtbank dat, indien zij bevoegd zou zijn geweest, de vorderingen toch zouden worden afgewezen omdat de moeder het gezag heeft en de verhuizing niet in strijd is met de omgangsrechten van de vader. De proceskosten worden tussen partijen verrekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had op het moment van de procedure.