ECLI:NL:RBAMS:2019:1997
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.M. van der Linden - Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke terugvordering bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een terugvordering van €34.366,06 bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan eiser, omdat eiser en een ander persoon een gezamenlijke huishouding zouden voeren zonder dit te melden. De rechtbank stelde vast dat de gezamenlijke huishouding niet bestond in de gehele periode van 30 juli 2013 tot 31 mei 2016, maar alleen van 1 mei 2015 tot 31 mei 2016. Hierdoor was het teruggevorderde bedrag te hoog.
De rechtbank onderzocht of de gezamenlijke huishouding bestond op basis van objectieve criteria zoals hoofdverblijf en wederzijdse zorg, waaronder financiële verstrengeling. Uit verklaringen bleek dat de persoon in kwestie zijn hoofdverblijf had op het adres van eiser en zorg verleende, waaronder het doen van boodschappen en het beheren van financiën. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding in de genoemde periode.
Eiser stelde zich op het standpunt dat vanwege zijn zorgbehoefte en het ontbreken van bloedverwantschap geen gezamenlijke huishouding zou moeten worden aangenomen. De rechtbank volgde dit niet, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad die het oordeel over discriminatie aan de wetgever overlaat en het lopende wetgevingsproces.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen waarin de terugvordering wordt beperkt tot de periode van daadwerkelijke gezamenlijke huishouding, en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen waarin de terugvordering beperkt is tot de periode van gezamenlijke huishouding.