Appellant en X ontvingen bijstand volgens gehuwdennorm tot juli 2013, daarna afzonderlijk volgens alleenstaandennorm. Na een fraudemelding onderzocht het college of sprake was van gezamenlijke huishouding en concludeerde dat appellant mede aansprakelijk was voor terugvordering van bijstand aan X over 2013-2016. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een nieuw besluit. Het college stelde in het nadere besluit de terugvordering beperkt vast voor de periode mei 2015 tot mei 2016.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant en X in twee van drie periodes hun hoofdverblijf niet gezamenlijk hadden, en dat de wederzijdse zorg in die periodes wel aanwezig was. De Raad bevestigt dat appellant zorgbehoevend is, zoals bedoeld in de wet, en dat de uitzonderingsbepaling die alleen bloedverwanten in de tweede graad vrijstelt van gelijkstelling met gehuwden, een ongerechtvaardigd onderscheid maakt. De wetgever heeft nagelaten dit onderscheid op te heffen ondanks een wetsvoorstel dat in 2020 werd verworpen.
De Raad verklaart de uitzondering wegens zorgbehoefte buiten toepassing en vernietigt het bestreden besluit en het nadere besluit. Tevens wordt een schadevergoeding van € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim zes jaar. Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant.